Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2552

Datum uitspraak2006-02-16
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/311 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering periodieke uitkering omdat de bij eiseres aanwezige lichamelijke klachten geen verband houden met de vervolging en de psychische klachten van eiseres niet het niveau bereiken van een ziekte of gebrek.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/311 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats] (Australiƫ), eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 7 oktober 2004, kenmerk JZ/C70/2004/0637, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006. Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiseres, geboren op 13 maart 1936, heeft in oktober 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet. Bij besluit van 31 oktober 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster erkend dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, doch haar een periodieke uitkering geweigerd op de grond dat de bij eiseres aanwezige lichamelijke klachten geen verband houden met de vervolging en de psychische klachten van eiseres niet het niveau bereiken van een ziekte of gebrek. In het bijzonder is overwogen dat duidelijke oorlogsgerelateerde klachten niet zijn te onderscheiden. In beroep heeft eiseres zich gekeerd tegen verweersters oordeel dat de psychische klachten niet het niveau bereiken van een ziekte of gebrek. De Raad dient antwoord te tegen op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet heeft recht op een uitkering de vervolgde die wegens ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, buiten staat is een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de ingevolge artikel 8 vastgestelde grondslag. De Raad stelt vast dat het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster in overeenstemming is met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviseurs beschikten over een tweetal rapporten van bij eiseres verrichtte onderzoeken door de psychiater dr. A. Robertson respectievelijk dr. M. Pickles alsmede informatie van de huisarts van eiseres. Uit de rapporten van genoemde psychiaters komt naar voren dat eiseres heeft geleden onder de separatie van haar ouders, familie en haar geloof maar dat van duidelijke oorlogsgerelateerde psychische klachten niet is gebleken aangezien de bij eiseres aanwezige cognitieve beperkingen als gevolg van een doorgemaakte CVA en een milde dementie, een psychiatrisch onderzoek bemoeilijken. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Uit de ter beschikking staande medische gegevens is de Raad niet gebleken van enig aanknopingspunt te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs ingenomen standpunt. Voor zover eiseres heeft aangegeven dat de onderzoeken te kort hebben geduurd om een juist beeld te verkrijgen van de bij haar bestaande psychische problematiek overweegt de Raad dat eiseres geen medische gegevens heeft ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de volledigheid van de betreffende onderzoeken dan wel aan de bevindingen en conclusies daarvan. Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) J.P. Schieveen.