Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2621

Datum uitspraak2006-02-15
Datum gepubliceerd2006-02-27
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers268749/ CV EXPL 05-3269
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Toewijzing van een vordering tot betaling van (o.a.) vakantietoeslag. De kantonrechter verwerpt het beroep van werkgever op verrekening met een door werkgever aan werknemer onverschuldigd betaald bedrag, nu werkgever stelt dit bedrag uit "onverplichte welwillendheid" aan werknemer te hebben voldaan.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector kanton Locatie Haarlem zaak/rolnr.: 268749/ CV EXPL 05-3269 datum uitspraak: 15 februari 2006 VONNIS VAN DE KANTONRECHTER inzake [eiser] te [adres] eisende partij hierna te noemen [eiser] gemachtigde mr. A. Bosveld tegen de besloten vennootschap UP QUALITY & ENVIRONMENT B.V. te IJmuiden, gemeente Velsen gedaagde partij hierna te noemen U.P. gemachtigde mr. J.G. Wieringa De procedure Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen: - het door de kantonrechter tussen partijen gewezen en op 23 november 2005 uitgesproken tussenvonnis en de daarin genoemde stukken; - de akte van [eiser]; - de antwoordakte van U.P. De verdere beoordeling van het geschil De kantonrechter volhardt bij hetgeen in het tussenvonnis van 23 november 2005 is overwogen en beslist. Bij dat vonnis is de zaak naar de rol verwezen om [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn vordering op basis van de aanvangsdatum van de fictieve opzegtermijn opnieuw te berekenen. [eiser] heeft dit gedaan bij de hiervoor genoemde akte. U.P. heeft daarop bij de hiervoor genoemde antwoord-akte gereageerd. [eiser] heeft zijn vordering ten aanzien van de in de inleidende dagvaarding genoemde onderdelen daarvan, als volgt herberekend: ad 1. Nihil; ad 2: € 783,55 bruto ter zake van vakantietoeslag over drie maandsalarissen; ad 3: € 816,20 bruto ter zake van een dertiende maand uitkering; ad 4: € 1.648,23 bruto ter zake van vergoeding voor 10,13 vakantiedagen en atv-dagen; ad 5: € 499,59 bruto ter zake van bijdragen in de ziektekostenverzekering; ad 6: € 640,29 ter zake van pensioenpremies; ad 7: € 311,31 ter zake van premies voor het prepensioen; ad 8: € 149,22 ter zake van premies voor de WAO-hiaat verzekering. Gelet op hetgeen U.P. in haar antwoord-akte met betrekking tot de herberekening van de vordering heeft aangevoerd, zijn thans nog tussen partijen de volgende onderdelen van de vordering in geschil: de dertiende maand (onderdeel 3) Gelet op hetgeen op dit punt in het tussenvonnis van 31 augustus 2005 is overwogen en beslist, komt aan [eiser] 50% van het door hem herberekende bedrag van € 816,20 bruto, derhalve € 408,10 bruto toe; vakantiedagen (onderdeel 4) Gelet op hetgeen op dit punt in het tussenvonnis van 31 augustus 2005 is overwogen en beslist, dient voor de berekening van vakantiedagen te worden uitgegaan van het uurloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, zodat aan [eiser] het door hem berekende bedrag van € 1.648,23 bruto toekomt. wao-hiaat (onderdeel 8) Het door U.P. bij antwoord-akte gevoerde verweer dat het wao-hiaat is vervallen, zodat daarvoor geen premie meer wordt afgedragen, wordt als tardief en als in strijd met een goede procesorde verworpen, nu U.P. op dit punt bij conclusie van antwoord noch bij conclusie van repliek enig verweer heeft gevoerd. Dit leidt ertoe dat het door [eiser] bij akte berekende bedrag van € 149,22 voor toewijzing vatbaar is. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eiser] ter zake van de hoofdsom toewijsbaar is tot de volgende bedragen: - € 783,55 bruto ter zake van vakantietoeslag; - € 408,10 bruto ter zake van dertiende maand uitkering; - € 1.648,23 bruto ter zake van vergoeding voor 10,13 vakantiedagen; - € 499,59 bruto ter zake van bijdrage in de ziektekostenverzekering; - € 640,29 ter zake van pensioenpremies; - € 311,31 ter zake van premies voor het prepensioen; - € 149,22 ter zake van premies voor de WAO-hiaat verzekering. U.P. heeft zich bij antwoord-akte beroepen op verrekening van de vordering van [eiser] met een door haar aan [eiser] betaald bedrag van in totaal € 5.490,79 ter zake van loon over de periode juli en augustus 2004. U.P. heeft daartoe het volgende aangevoerd. In het tussenvonnis van 23 november 2005 is beslist dat wat betreft het begin van de fictieve opzegtermijn dient te worden uitgegaan van 1 februari 2004. Uitgaande van een fictieve opzegtermijn van 26 weken minus één maand, had de overeenkomst met [eiser] dan ook opgezegd dienen te worden tegen 1 juli 2004. Dit brengt met zich mee dat de loonbetalingsverplichting van U.P. jegens [eiser] is geëindigd per 30 juni 2004. U.P. heeft echter tot 23 augustus 2004 het basissalaris aan [eiser] doorbetaald. Deze betaling is derhalve onverschuldigd geschied en dient met de vordering van [eiser] te worden verrekend. Omtrent het verrekeningsverweer van U.P. wordt het volgende overwogen. U.P. heeft reeds eerder in de procedure aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] twee maanden later heeft plaatsgevonden dan die van de andere werknemers die geen verweer hebben gevoerd en dat daarom op de vordering van [eiser] in mindering zou dienen te worden gebracht het salaris dat [eiser] ten gevolge daarvan gedurende de ontbindingsprocedure meer heeft ontvangen dan die andere werknemers. Het beroep dat U.P. thans op verrekening doet, heeft echter geen betrekking op het in de maanden februari en maart 2004 door [eiser] ontvangen salaris, maar op het aan [eiser] uitgekeerde basissalaris over de maanden juli en augustus 2005. Vast staat dat U.P. in weerwil van hetgeen omtrent de voorwaarde voor betaling van het salaris gedurende de fictieve opzegtermijn in artikel 4.2 van het Sociaal Plan is gesteld, zonder voorbehoud tot 23 augustus 2005 aan [eiser] het basissalaris heeft doorbetaald. Zij heeft dit gedaan uit “onverplichte welwillendheid”, zoals zij bij conclusie van antwoord heeft betoogd. Noch voorafgaand aan noch lopende de onderhavige procedure heeft U.P. aanspraak gemaakt op terugvordering van dit bedrag. Haar verweer dat [eiser] dit bedrag thans uit hoofde van onverschuldigde betaling aan haar is verschuldigd, dient dan ook als tardief te worden verworpen. Het voorgaande leidt ertoe dat het gedeelte van de herberekende vordering strekkende tot betaling aan [eiser] van een bedrag van in totaal € 3.339,47 bruto ter zake van vakantietoeslag, dertiende maand, vakantiedagen en bijdrage ziektekostenverzekering alsmede tot afdracht een bedrag van in totaal € 1.100,82 ter zake van premies zal worden toegewezen. De vordering tot betaling van een dwangsom is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat daaraan een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis wordt verboden en dat de dwangsom wordt gemaximeerd tot € 5.000,--. Voor toewijzing van de wettelijke verhoging is geen plaats, zoals reeds in het vonnis van 31 augustus 2005 is beslist. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen nu U.P. daartegen geen zelfstandig verweer heeft gevoerd. De proceskosten komen voor rekening van U.P. omdat deze voor het grootste deel in het ongelijk wordt gesteld. Beslissing De kantonrechter: - veroordeelt U.P. tot betaling aan [eiser] van 1. € 783,55 bruto ter zake van vakantietoeslag; 2. € 408,10 bruto ter zake van een dertiende maand uitkering; 3. € 1.648,23 bruto ter zake van een vergoeding voor 10,13 vakantiedagen en atv-dagen; 4. € 499,59 bruto ter zake van bijdrage in de ziektekostenverzekering; 5. € 500,-- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten; en om ten behoeve van [eiser] over te maken: 6. aan de pensioenverzekeraar € 640,29 ter zake van pensioenpremies; 7. aan het pensioenfonds € 311,31 ter zake van premies voor het pre-pensioen; 8. aan de WAO-hiaatverzekeraar € 149,22 ter zake van premies voor de WAO-hiaatverzekering; de veroordelingen sub 6 tot en met 8 op straffe van een dwangsom van € 50,-- per dag of gedeelte daarvan dat U.P. nalaat om, gerekend vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis aan deze veroordelingen te voldoen; - veroordeelt U.P. tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd, en bepaalt dat de explootkosten worden verhoogd met een percentage dat overeenkomt met het percentage, bedoeld in art. 9, 1e lid, van de Wet op de Omzetbelasting 1968, omdat [eiser] de hem in rekening gebrachte omzetbelasting niet op grond van genoemde wet kan verrekenen en dit nadrukkelijk verklaart, en de gerechtsdeurwaarder aan de voet van het exploot verklaart dat de kosten in verband daarmee zijn verhoogd: exploot € 71,93 vastrecht € 192,00 salaris gemachtigde € 1.125,00; - verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af hetgeen meer of anders mocht zijn gevorderd. Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.