
Jurisprudentie
AV2991
Datum uitspraak2006-02-28
Datum gepubliceerd2006-03-01
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 06/0103 VV
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2006-03-01
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 06/0103 VV
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Onvoldoende aanknopingspunten dat er geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Aan een erfdienstbaarheid waarvan verzoeker niet een begunstigde is, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Verzoek afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
sector bestuursrecht
Reg. nr.: SBR 06/0103 VV
Uitspraak van de voorzieningenrechter van
de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening, in het geding tussen:
[verzoeker],
wonende te Doorn,
verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doorn,
verweerder.
1. INLEIDING
1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 13 december 2005, waarbij is beslist op de bezwaren van eiser tegen het besluit van verweerder van 26 april 2005. Bij laatstgenoemd besluit is aan [vergunninghouder] vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning aan de [adres] te Doorn.
1.2 Het verzoek is op 17 februari 2006 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. P.M. Waszink, advocaat te Rotterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M.G. Schoof en W.J.P.C. van Lee, beiden werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Voorts zijn vergunninghouder [vergunninghouder] en zijn echtgenote ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. H.C.S. van Dop, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Gedeputeerde Staten van Utrecht (GS) zijn, zoals tevoren aangekondigd, niet ter zitting verschenen.
2. OVERWEGINGEN
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.
2.3 Bij wet van 15 september 2005 tot gemeentelijke herindeling in een deel van de Utrechtse Heuvelrug (Stb. 2005, 458), zijn de gemeenten Amerongen, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Leersum en Maarn opgeheven en is per diezelfde datum een nieuwe gemeente Utrechtse Heuvelrug ingesteld waarvan het gebied bestaat uit de op te heffen gemeenten.
Op grond van de Wet algemene regels herindeling is per 1 januari 2006 het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug verweerder in het geschil ten aanzien van het bestreden besluit.
2.4 Op 30 juli 2002 is een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor het oprichten van een woning aan de [adres] te Doorn. De woning heeft een bruto vloeroppervlakte van 270 m2 (exclusief kelder) en een bruto inhoud van 853 m3 (exclusief kelder). Omdat het bouwplan niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, is met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO een procedure gevoerd om tot het verlenen van een bouwvergunning te komen.
Op 25 januari 2005 hebben GS een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Bij besluit van 26 april 2005 heeft verweerder vrijstelling en een bouwvergunning verleend voor de onderhavige woning. Aan de bouwvergunning is onder meer de voorwaarde verbonden dat de vergunninghouder pas gerechtigd is gebruik te maken van de verleende bouwvergunning, op het moment dat de vergunninghouder heeft aangetoond dat de erfdienstbaarheid niet (meer) - als lijdend erf - rust op het perceel [adres], althans dat door alle rechthebbenden afstand is gedaan van alle rechten die uit deze erfdienstbaarheid voortvloeien.
2.5 Tegen het besluit van 26 april 2005 hebben zowel verzoeker als vergunninghouder bezwaar aangetekend. De bezwaren van verzoeker zijn ongegrond verklaard voor zover deze zien op de verleende vrijstelling en de bouwvergunning. Het bezwaar van de vergunninghouder zag op de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde met betrekking tot de erfdienstbaarheid. Verweerder heeft dit bezwaar gegrond verklaard en heeft in zoverre in het bestreden besluit het volgende besloten:
'(...)
III gegrond te verklaren de bezwaren ingediend door de heer mr. H.J. Kastein van ARAG Rechtsbijstand namens de heer [vergunninghouder] ingediend tegen het opleggen van de voorwaarde, inhoudende "de vergunninghouder is pas gerechtigd gebruik te maken van de verleende bouwvergunning, althans een aanvang te maken met het realiseren van de vergunde woning, op het moment dat vergunninghouder - naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders blijkende uit schriftelijke instemming van het college van burgemeester en wethouders - genoegzaam, door overlegging van een rapport van het kadaster, heeft aangetoond dat de erfdienstbaarheid, zoals opgenomen in artikel 10 van de akte van verkoop en koop d.d. 20 juni 1939, die luidt: op het verkochte mogen niet meer dan zes landhuizen en aanhorigheden worden gebouwd; bij elk landhuis moet ten minste vijfduizend vierkante meter grond behoren; de landhuizen mogen slechts worden bestemd voor gesloten woning, er mag geen bedrijf in worden uitgeoefend, niet (meer) (gedeeltelijk) - als lijdend erf - rust op het perceel [adres] te Doorn, kadastraal bekend [kadastraal nummer], althans dat door alle rechthebbenden afstand is gedaan van alle rechten die uit deze erfdienstbaarheid voor hen voortvloeien". dat eerst met de bouw mag worden begonnen op het moment, dat de privaatrechtelijke problemen zijn opgelost, waardoor deze voorwaarde komt te vervallen;
(...) '
2.6 Door verzoeker is aangevoerd dat - kort gezegd - de onder III opgenomen passage in het bestreden besluit onduidelijk is, en daarmee in strijd met het motiveringsbeginsel alsmede het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht vast te stellen dat de vergunninghouder niet het recht heeft tot uitvoering van zijn voorgenomen bouwwerkzaamheden over te gaan. Subsidiair is verzoeker van mening dat de oorspronkelijke voorwaarde aan de bouwvergunning verbonden had moeten blijven. Meer-subsidiair stelt verzoeker zich op het standpunt dat de zinsnede 'dat eerst met de bouw mag worden begonnen op het moment dat de privaatrechtelijke problemen zijn opgelost' als volgt moet worden opgevat: 'dat pas mag worden overgegaan tot bouwen indien de op het perceel van Opdam rustende erfdienstbaarheid is komen te vervallen, hetgeen pas het geval kan zijn nadat de bevoegde civiele rechter na een daartoe strekkend verzoek van Opdam zich in die zin heeft uitgesproken'. Het schrappen van de voorwaarde acht verzoeker in strijd met de rechtszekerheid.
Overigens is verzoeker van oordeel dat hij als belanghebbende deelneemt aan de procedure, en dat hij zich om die reden wel degelijk op het bestaan van de erfdienstbaarheid kan beroepen.
Voorts heeft verzoeker betoogd dat de ruimtelijke onderbouwing ontoereikend is. Het op verzoek van vergunninghouder uitgebrachte rapport geeft volgens verzoeker geen onpartijdige voorstelling van zaken, en is gedateerd.
Daarnaast voert verzoeker aan dat het bouwplan in strijd is met het Streekplan. Voor de toetsing aan het Streekplan is volgens verzoeker de datum van de aanvraag van de bouwvergunning bepalend. Het bouwplan is om die reden ten onrechte getoetst aan het op 13 december 2004 vastgestelde Streekplan 2005-2015.
Voorts stelt verzoeker dat het oprichten van de woning tot aantasting van een aantal essentiële natuurvoorwaarden leidt en dat er nog immer onduidelijkheden bestaan voor wat betreft de waterhuishouding op het perceel.
2.7 Door vergunninghouder is onder meer aangevoerd dat verzoeker, die op persoonlijke titel het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt, aangezien verzoeker niet woonachtig is op het adres [adres verzoeker] te Doorn. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij sedert 1991 op het adres [adres verzoeker] te Doorn woont, dat hij een groot deel van de tijd op dat adres woont, en dat hij meerdere woningen heeft. Verzoeker heeft onweersproken gesteld dat hij op het adres [adres verzoeker] in het GBA staat ingeschreven. Voorts heeft verzoeker desgevraagd verklaard dat hij directeur en enig aandeelhouder is van de op het adres [adres verzoeker] te Doorn gevestigde besloten vennootschappen [vennootschappen]. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker onder deze omstandigheden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb aan te merken. De voorzieningenrechter heeft daarbij aansluiting gezocht bij overweging 2.2 van de - bij partijen bekend zijnde - uitspraak van deze rechtbank van 6 april 2004 (SBR 03/2427), welke uitspraak op 9 februari 2005 is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) (200404089/1). De voorzieningenrechter maakt dit oordeel tot de zijne.
2.8 Met betrekking tot de grief van verzoeker dat de ruimtelijke onderbouwing is gebaseerd op een op verzoek van vergunninghouder uitgebracht rapport, merkt de voorzieningen-rechter op dat er geen rechtsregel is die zich tegen deze gang van zaken verzet. Partijen en de voorzieningenrechter kunnen van de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing kennis nemen en zich daarover zelf een oordeel vormen. Het in oktober 2000 uitgebrachte rapport is weliswaar gedateerd, maar is aangevuld bij brief van 19 augustus 2004 van verweerder aan GS en bij brief van 2 september 2004 van vergunninghouder aan GS.
In de ruimtelijke onderbouwing is onder meer ingegaan op de relatie met de omgeving en de stedenbouwkundige inpassing. Voorts is ingegaan op de relatie met het Streekplan van de Provincie Utrecht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn verweerder en GS terecht uitgegaan van het Streekplan dat gold ten tijde van het bestreden besluit, te weten het Streekplan 2005-2015. Volgens vaste rechtspraak van de AbRS is het uitgangspunt bij het nemen van een beslissing (op bezwaar) dat het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Van een situatie waarin op dit uitgangspunt een uitzondering zou moeten worden gemaakt, is hier geen sprake. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Mede gelet op de door vergunninghouder ter zitting getoonde situatietekening is niet aannemelijk geworden dat bij andere percelen sprake is van een groot perceel met een klein huis, en bij het perceel van vergunninghouder sprake is van een klein perceel met een groot huis. Niet aannemelijk is geworden dat de verhouding perceelsgrootte/opstal in die mate wordt verstoord dat verweerder niet tot het oordeel had kunnen komen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
2.9 Namens verweerder is ter zitting desgevraagd verklaard dat verweerder heeft beoogd de oorspronkelijke voorwaarde te vervangen door de voorwaarde: 'dat eerst met de bouw mag worden begonnen op het moment, dat de privaatrechtelijke problemen zijn opgelost, waardoor deze voorwaarde komt te vervallen'. De voorzieningenrechter is het met verzoeker eens dat deze voorwaarde met betrekking tot de erfdienstbaarheid onvoldoende objectief bepaalbaar is. Onduidelijk is wat moet worden verstaan onder 'dat eerst met de bouw mag worden begonnen op het moment, dat de privaatrechtelijke problemen zijn opgelost'. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter is namelijk met de vergunninghouder van oordeel dat aan een erfdienstbaarheid waarvan verzoeker niet een begunstigde is, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De voorzieningenrechter ziet ondersteuning voor dit oordeel in de uitspraak van de AbRS van 13 november 2002 (LJN: AF0249). De voorzieningenrechter overweegt in dit verband nog het volgende. Een erfdienstbaarheid is geen absoluut beletsel voor het verlenen van een bouwvergunning. Wel is het belang dat door de erfdienstbaarheid wordt gediend één van de belangen die bij de belangenafweging dient te worden betrokken. Aangezien verzoeker geen begunstigde is van de op het perceel rustende erfdienstbaarheid en niet gebleken is dat er andere rechtstreeks belanghebbenden zijn die hebben laten blijken dat zij aan deze erfdienstbaarheid betekenis hechten, heeft verweerder naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter daaraan niet het gewicht mogen toekennen dat verweerder met het opnemen van deze voorwaarde in de vergunning heeft gedaan.
Verzoeker kan overigens geen rechtszekerheid aan de betreffende erfdienstbaarheid ontlenen, zoals hij heeft betoogd. Een erfdienstbaarheid strekt niet tot bescherming van de rechtszekerheid van derden.
2.10 Verzoeker heeft aangevoerd dat uit het schrijven van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden van 5 augustus 2004 blijkt dat moet worden beoordeeld of het bouwen in strijd is met het 'Grondwateradvies Provincie Utrecht m.b.t. ondergronds bouwen'. Verweerder heeft daarnaar volgens verzoeker onvoldoende onderzoek gedaan. De voorzieningenrechter volgt verzoeker daarin niet. Verweerder heeft in zijn brief van 19 augustus 2004 aan GS gemotiveerd aangegeven om welke reden het bouwplan met dat advies in overeenstemming is. Bovendien kan worden betwijfeld of het bouwplan enige gevolgen heeft voor het grondwater. De vergunninghouder heeft daarover ter zitting opgemerkt dat het perceel relatief hoog gelegen is en het grondwater zich op een diepte van zo'n 5 meter bevindt.
2.11 Voorts is de voorzieningenrechter thans niet gebleken van aanknopingspunten voor de omstandigheid dat verplaatsing van grond met de lichte verontreiniging met PAK nodig zal zijn, dan wel dat daarvoor een vergunning of ontheffing niet zal kunnen worden verleend.
2.12 Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
3. BESLISSING
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2006.
De griffier: De voorzieningenrechter:
A. Heijboer mr. R.P. den Otter
Afschrift verzonden aan partijen op:

