Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV3066

Datum uitspraak2006-03-01
Datum gepubliceerd2006-03-02
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers292167 CV 05-12172
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

kantonzaak. Ontbinding huurovereenkomst woonruimte toegestaan omdat huurder daar een hennepkwekerij heeft gehad.


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD sector kanton – locatie Lelystad Zaaknr. : 292167 CV EXPL 05-12172 Datum : 1 maart 2006 Vonnis in de zaak van: de stichting STICHTING OOST FLEVOLAND WOONDIENSTEN, gevestigd te Dronten, eisende partij, verder ook te noemen Flevoland, gemachtigde mr. J.M.G.A. Sengers, rolgemachtigde A.A. Riemersma gerechtsdeurwaarder te Lelystad, tegen [GEDAAGDE], wonende te [woonplaats], gedaagde partij, verder ook te noemen [gedaagde], gemachtigde mr. R. ter Haar, advocaat te Emmeloord, toegevoegd op 26 augustus 2005 onder nummer 2CM4391. De procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van: - de dagvaarding - het antwoord van de gedaagde partij - de nadere toelichting van partijen. Het geschil Flevoland vordert, kort samengevat, de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. [gedaagde] bestrijdt deze vordering en vordert de veroordeling van Flevoland in de proceskosten. De beoordeling 1. Tussen partijen staat het volgende vast: -[gedaagde] huurt van Flevoland sedert 1 juli 1997 de woning aan de [adres] te [woonplaats]; -[gedaagde] bewoont deze woning met haar twee minderjarige kinderen; -op 23 juni 2005 is bij een doorzoeking van de woning op de zolder een functionerende hennepplantage aangetroffen; -de daarvoor benodigde elektriciteit werd gestolen; -aanvankelijk, op 23 juni 2005, heeft [gedaagde] de huurovereenkomst opgezegd, maar zij heeft die opzegging via haar raadsman bij brief van 27 juni 2005 ingetrokken; -[gedaagde] heeft haar spijt betuigd en met de energieleverancier Nuon een betalingsregeling getroffen. 2. De vraag die de kantonrechter met name moet beantwoorden is de vraag of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] die zodanig ernstig is dat de huurovereenkomst dient te worden ontbonden. Overigens heeft Flevoland [gedaagde] niet aan haar opzegging gehouden, zodat die opzegging verder onbesproken kan worden gelaten. 3. [gedaagde] heeft in verband met bedoelde vraag erop gewezen dat zij altijd een keurige huurster is geweest, dat zij haar spijt heeft betuigd, dat zij het slachtoffer is geworden van derden die misbruik hebben gemaakt van haar zwakke sociale positie en dat zij wel door de politie is verhoord maar naar verwachting niet zal worden vervolgd. Het beleid dat Flevoland ten aanzien van huurders die hennep kweken voert is pas later bekend gemaakt. 4. Flevoland heeft betoogd dat [gedaagde] in ernstige mate is tekort geschoten en zich niet als goed huurster heeft gedragen, waarbij niet van belang is of daadwerkelijk sprake is geweest van overlast, brand of waterschade, nu [gedaagde] de kans daarop heeft geschapen en dat levert reeds een voldoende ernstige tekortkoming op. [gedaagde] heeft de woning niet overeenkomstig de bestemming gebruikt. Voorts heeft Flevoland gewezen op het risico dat haar verzekeraar in geval van schade met succes een uitkering zal weigeren. De door [gedaagde] aangevoerde verzachtende omstandigheden heeft Flevoland betwist. 5. De kantonrechter oordeelt als volgt. Blijkens haar brief aan Flevoland, ingekomen op 28 juni 2005, wist [gedaagde] dat het houden van een hennepplantage “helemaal tegen de wet in was” zodat het verweer van [gedaagde] dat Flevoland eerst later haar stringente beleid ter zake van hennepplantages bekend heeft gemaakt haar niet kan baten. Zij wist al --om zo te zeggen-- dat zij goed fout zat, zodat zij redelijkerwijs kon verwachten dat Flevoland aan het exploiteren van een hennepplantage in een huurwoning consequenties zou verbinden. [gedaagde] heeft de stelling van Flevoland dat het “een groot aantal hennepplanten” betrof en dat de woning een woonbestemming had niet weersproken, zodat dit vaststaat. [gedaagde] heeft de woning mede voor het kweken van een grote hoeveelheid hennepplanten laten gebruiken dan wel gebruikt, hetgeen in strijd is met artikel 7:214 BW. [gedaagde] heeft tegenover de betwisting door Flevoland niet aannemelijk gemaakt dat zij aan de door haar gestelde “anderen” in redelijkheid geen weerstand heeft kunnen bieden en slechts “willig slachtoffer van de kwade praktijken van anderen” is geworden. Indien [gedaagde] van oordeel is dat het proces-verbaal van de politie in dit verband van belang is en haar wellicht kan vrijpleiten, dan had [gedaagde] dat proces-verbaal als (naar vaststaat: verhoorde) verdachte, tevens direct belanghebbende, kunnen opvragen en in het geding kunnen brengen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Flevoland is daartoe niet gehouden. Dat [gedaagde] een als zodanig wel positief te beoordelen motief had, te weten de verbetering van het levensgenot van haar twee kinderen (door [gedaagde] in haar voornoemde brief omschreven als: “wat extra’s” en “op vakantie”) neemt niet weg dat de plantage verboden was en naar algemeen bekend is gevaar en overlast opleverde voor de omgeving. De stelling dat in het onderhavige geval van een gevaarzettende situatie geen sprake was heeft [gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd en wordt daarom gepasseerd. Flevoland heeft recht en belang alleen al vanwege de daaraan verbonden risico’s tegen de aanwezigheid van hennepplantages consequent op te treden door de ontbinding van de huurovereenkomst uit te lokken. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden is denkbaar dat een daarop gebaseerde vordering tot ontbinding toch moet worden afgewezen, maar zodanige omstandigheden zijn hier niet gebleken. 6. De slotsom luidt dat de vordering op de wijze in het dictum vermeld kan worden toegewezen. De termijn van de ontruiming zal op vier weken worden gesteld. [gedaagde] dient als verliezende partij in de proceskosten te worden veroordeeld. De beslissing De kantonrechter: - ontbindt met ingang van heden de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woning aan de [adres] te [woonplaats]; - veroordeelt [gedaagde] binnen vier weken na de dag van de betekening van dit vonnis deze woning met al het hare en de haren te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Flevoland te stellen, met machtiging van Flevoland die ontruiming op kosten van [gedaagde] zonodig met behulp van de sterke arm te doen bewerkstelligen; - veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van Flevoland, welke kosten tot op heden begroot worden op: • € 300,00 voor salaris gemachtigde • € 85,60 voor explootkosten • € 276,00 voor vastrecht; - verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; - wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 1 maart 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.