Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV3151

Datum uitspraak2006-02-23
Datum gepubliceerd2006-03-02
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/049
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het hof is van oordeel dat [appellanten] niet te goeder trouw zijn ten aanzien van het ontstaan van deze schulden, nu deze schulden voortvloeien uit een niet deugdelijk gevoerde administratie van hun uitzendbureau. De omstandigheid dat [appellanten] vertrouwden op hun boekhouder aan wie zij de administratie en boekhouding uit handen hadden gegeven en dat, aldus [appellanten], deze boekhouder fouten heeft gemaakt waardoor de belastingschulden zijn ontstaan, maakt dit oordeel niet anders. Niet op de boekhouder maar op de ondernemer rust ingevolge art. 3:15i BW de verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie.


Uitspraak

23 februari 2006 eerste civiele kamer rekestnummer 2006/49 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellant sub 1] en [appellant sub 2], echtelieden, beiden wonende te [woonplaats], appellanten, procureur: mr. B.J. Driessen. 1 Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij vonnissen van de rechtbank te Arnhem van 3 oktober 2005 is de voorlopige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]). Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. B.J. Engberts en tot bewindvoerder mr. C.J. Diks. 1.2 Bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 12 januari 2006 is het verzoek van [appellanten] tot definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dit vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 20 januari 2006 per fax en op 23 januari 2006 per gewone post ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van laatstgenoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van een brief met bijlagen van de procureur van 31 januari 2006. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 februari 2006, waarbij [appellanten] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun procureur. Voorts is verschenen mr. Diks voornoemd, bewindvoerder in de voorlopige schuldsaneringsregeling. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld. 3.2 [appellanten] zijn in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten. Zij hebben een totale schuldenlast van € 177.108,45. Hiervan maken deel uit negen schulden aan de belastingdienst van in totaal € 168.503,58. Deze belastingschulden vloeien voort uit de bedrijfsvoering binnen de inmiddels, namelijk sinds 14 maart 2003, ontbonden vennootschap onder firma Uitzendbureau [...]. (hierna te noemen: het uitzendbureau). [appellanten] hebben deze vennootschap op 20 januari 2000 opgericht. [appellanten] hebben beide, zo hebben zij ter zitting van het hof verklaard, voor de volle werktijd bij het uitzendbureau gewerkt. 3.3 Het hof overweegt als volgt. De belastingdienst Rivierenland kantoor Nijmegen (hierna te noemen: de belastingdienst) heeft medio 2003 een boekenonderzoek ingesteld bij het uitzendbureau en bij haar vennoten, [appellanten]. Naar aanleiding daarvan heeft de belastingdienst drie rapporten opgesteld. Uit het rapport inzake het boekenonderzoek bij het uitzendbureau blijkt dat het uitzendbureau in 2000 en 2001 het loon, dat aan werknemers is uitbetaald, niet juist in haar loonadministratie heeft verantwoord. Zo is er in 2000 een bedrag van ƒ 123.000,= meer uitbetaald dan in de loonadministratie is verantwoord en in 2001 een bedrag van ƒ 59.556,=. Dit heeft geleid tot naheffingsaanslagen, die – omdat de belastingdienst oordeelde dat [appellant sub 2] ten onrechte het ondernemerschap had geclaimd – ten name van [appellant sub 1] zijn opgelegd. [appellanten] hebben tegen deze naheffing en tegen voormeld oordeel van de belastingdienst bezwaar noch protest ingediend en evenmin verbeterde aangiften gedaan, zodat deze belastingschulden vaststaan. Het hof is van oordeel dat [appellanten] niet te goeder trouw zijn ten aanzien van het ontstaan van deze schulden, nu deze schulden voortvloeien uit een niet deugdelijk gevoerde administratie van hun uitzendbureau. De omstandigheid dat [appellanten] vertrouwden op hun boekhouder aan wie zij de administratie en boekhouding uit handen hadden gegeven en dat, aldus [appellanten], deze boekhouder fouten heeft gemaakt waardoor de belastingschulden zijn ontstaan, maakt dit oordeel niet anders. Niet op de boekhouder maar op de ondernemer rust ingevolge art. 3:15i BW de verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie. [appellanten] hadden zich er daarom van moeten vergewissen dat de verwerking van de administratie en de boekhouding naar behoren geschiedde. In dat verband zij vermeld dat de boekhouder bij het boekenonderzoek juist heeft verklaard dat hij [appellanten] erop gewezen heeft dat zij een verbeterde aangifte moesten indienen, hetgeen zij hebben geweigerd. Ten overvloede overweegt het hof nog dat uit voornoemd rapport van de belastingdienst ook blijkt, dat de FIOD een onderzoek bij het uitzendbureau heeft ingesteld en dat blijkens de rapportage daarvan de verbalisanten hebben geconcludeerd dat [appellanten] voornoemde loonbedragen voor privé-doeleinden hebben aangewend. [appellanten] hebben dit niet (gemotiveerd) weersproken. Het hof gaat mitsdien van de juistheid van die conclusie uit en voegt daaraan toe dat benadeling van crediteuren het te verwachten gevolg was. Dat het Openbaar Ministerie [appellant sub 1], nadat zij hem drie dagen in verzekering had gesteld op het politiebureau te Arnhem, in vrijheid heeft gesteld en hem een kennisgeving van niet verdere vervolging heeft gestuurd, doet daaraan niet af. 3.4 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. 4 De beslissing Het hof, rechtdoende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 12 januari 2006. Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Kwaak, Van den Brink en Van der Weij en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2006.