
Jurisprudentie
AV3269
Datum uitspraak2006-03-02
Datum gepubliceerd2006-03-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4859 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-03-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4859 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vervolgaanvraag van burger-oorlogsslachtoffer voor vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan een reis, met begeleiding, naar Indonesië.
Uitspraak
05/4859 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 30 maart 2004, kenmerk JZ/I/70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari 2006. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet.
In oktober 2003 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een vergoeding ter zake van de kosten verbonden aan een reis, met begeleiding, naar Indonesië. Eiser heeft aangegeven dat hij die reis wenst te maken in verband met herbeleving van de hem overkomen oorlogsgebeurtenissen en het afscheid kunnen nemen van zijn geboorteland aangezien hij destijds vanwege politieke activiteiten Indonesië moest verlaten.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 7 januari 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de - aan medische adviezen ontleende - grond dat de reis niet plaatsvindt ter afronding van een psychotherapeutisch behandelplan.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Gezien de aard van de gevraagde voorziening acht verweerster een vergoeding op grond van artikel 32 van de Wet slechts mogelijk indien voor de reis een strikt medische noodzaak aanwezig is. Een dergelijk noodzaak acht verweerster slechts aanwezig indien wordt voldaan aan richtlijnen die zij hanteert ten aanzien van therapeutische reizen, te weten:
a. er is sprake van onverwerkt verdriet, onverwerkte rouw en/of gevoelens van machteloosheid en vernedering die het leven ziekelijk beïnvloeden, en
b. het bezoek dient als (hiërarchisch) eindpunt van een therapeutisch behandelproces, en
c. er is voorafgaande aan de reis een behandelplan, en
d. na afloop van de reis vindt een evaluatie plaats.
De Raad heeft reeds meermalen uitgesproken een dergelijke benadering van verweerster, gelet op de aard van de gevraagde voorziening en de daarmee gemoeide kosten, in zijn algemeenheid niet onjuist of onredelijk te achten.
Op grond van de voorhanden gegevens, waaronder het door eiser ingevulde vragenformulier, stelt de Raad vast dat niet is gesteld noch is gebleken dat eiser vanwege zijn psychische klachten onder behandeling was, zodat geen sprake is van een reis die plaatsvindt in het kader van een psychotherapeutische behandelplan.
Naar oordeel van de Raad is dan ook niet voldaan aan de voor de toekenning van de gevraagde voorziening door verweerster gestelde vereisten. In hetgeen door eiser is gesteld behoefde verweerster geen aanleiding te zien om van haar gedragslijn af te wijken. Verweerster heeft dan ook terecht en op goede gronden geweigerd eiser ingevolge de Wet een vergoeding voor de onderwerpelijke reis te verlenen.
Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.

