Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV3271

Datum uitspraak2006-02-23
Datum gepubliceerd2006-03-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4703 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.


Uitspraak

05/4703 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 14 juni 2005, kenmerk JZ/S60/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgings-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, namens eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres het met het bestreden besluit niet eens is. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 januari 2006. Aldaar is voor eiseres verschenen mr. A. Bierenbroodspot voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken heeft verweerster eiseres bij besluit van 18 oktober 1995 met toepassing van artikel 3, tweede lid, (oud) van de Wet met de vervolgde gelijkgesteld en haar met ingang van 1 mei 1994 een periodieke uitkering toegekend waarvan de grondslag met toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de Wet is vastgesteld op het wettelijk minimum. De Raad heeft dit besluit bij zijn uitspraak van 9 oktober 1997, nr. 95/8204 WUV, vernietigd, voor zover daarbij de grondslag van de periodieke uitkering was vastgesteld. De Raad is er daarbij vanuit gegaan dat eiseres werkzaam is geweest als (foto-)model op nationaal en internationaal niveau en als zodanig buiten Nederland woonachtig was tot haar vader ernstig ziek werd en in 1979 overleed, dat eiseres nadien in toenemende mate is gaan leiden aan psychische klachten en als gevolg daarvan minder heeft gewerkt, maar toch nog tot 1989 als model werkzaamheden heeft verricht en dat zij ten tijde van haar aanvraag was aangewezen op een uitkering ingevolge de toen geldende Rijksgroepsregeling werkloze werknemers. De Raad heeft bij zijn uitspraak voorts overwogen dat er geen aanknopingspunten waren om het door verweerster voor eiseres vastgestelde jaar van invalidering, te weten 1989, onjuist te achten en verder dat uitgaande van 1989 als jaar van invalidering er geen enkele grond aanwezig was om eiseres aan te merken als een persoon op wie artikel 8, vijfde lid, van de Wet van toepassing is, zodat de voor haar geldende grondslag diende te worden vastgesteld met toepassing van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet naar het door haar laatstelijk voor haar invalidering uitgeoefende beroep van (foto-)model. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerster bij besluit van 21 juli 1999 met toepassing van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet de grondslag waarnaar de periodieke uitkering van eiseres moet worden berekend, wederom vastgesteld op het wettelijk minimum, zulks op basis van via de Gemeentelijke Sociale Dienst van Amsterdam ter beschikking gekomen aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting van eiseres over de jaren 1978,1979, 1980 en 1981. Het namens eiseres tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 10 mei 2001, nr. 99/4143 WUV, ongegrond verklaard. De Raad heeft daarbij overwogen dat de hierboven vermelde aangiftebiljetten van eiseres laten zien dat zij volgens haar eigen opgave in de jaren 1978 tot en met 1981 een inkomen heeft verworven dat niet boven de voor haar vastgestelde minimumgrondslag uitkomt. Meer en andere gegevens die een voldoende concreet en betrouwbaar beeld geven omtrent de door eiseres met haar werkzaamheden in de loop der jaren verdiende inkomsten, zijn niet beschikbaar gekomen. De van de kant van eiseres ingebrachte modefoto’s, verklaringen van mensen uit de modewereld en afrekeningen van modellenbureaus hebben weliswaar het tussen partijen niet in geschil zijnde feit bevestigd dat eiseres in binnen- en buitenland als (foto-)model heeft gewerkt, maar een voldoende concreet en betrouwbaar beeld omtrent de aard en omvang van de door haar verrichte werkzaamheden, alsmede van de daarmee gemiddeld door haar verkregen inkomsten, heeft de Raad daaruit niet naar voren zien komen. Namens eiseres heeft mr. A. Bierenbroodspot voornoemd, in augustus 2004 aan verweerster, onder toezending van een brief van de moeder van eiseres uit november 2001, verzocht om herziening van de grondslag waarnaar de periodieke uitkering van eiseres is berekend. Naar haar indruk had er niet mogen worden uitgegaan van het inkomen van eiseres in Nederland en zij vraagt zich af of er terecht alleen rekening is gehouden met het inkomen na invalidering. Uit de genoemde brief komt naar voren dat de moeder van eiseres er achter heen heeft gezeten dat zij naar de sociale dienst ging en nog ging werken en dat eiseres anders in het geheel niet meer zou hebben gewerkt. Verweerster heeft het verzoek bij besluit van 20 december 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, afgewezen onder overweging dat de bovengenoemde brief slechts een uiteenzetting bevat van de levensloop van eiseres nadat haar vader ziek werd en in 1979 kwam te overlijden en niet kan worden beschouwd als nieuw feit of nieuw gegeven in de zin van artikel 61 van de Wet dat, als het destijds bekend was geweest, tot een andere beslissing zou hebben geleid. Namens eiseres wordt hiertegen aangevoerd dat door de brief van haar moeder duidelijk wordt dat zij na haar terugkeer naar Nederland niet of nauwelijks meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen en wegens gebrek aan inkomen in 1980 om bijstand heeft gevraagd. Nu dit vaststaat, aldus de gemachtigde van eiseres, dient voor de grondslagvaststelling uitgegaan te worden van de inkomsten die zij tot haar vestiging in Nederland heeft verdiend, en wel met toepassing van artikel 8, derde lid, onder a, van de Wet. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster hiervan gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Daarbij staat in zaken als deze centraal de vraag of eiseres bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die verweerster bij het nemen van haar besluit van 21 juli 1999 niet bekend waren dan wel dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien. Daarvan acht de Raad in deze niet gebleken. Zoals uit de hierboven weergegeven overwegingen uit de eerdere uitspraken van de Raad met betrekking tot de in geding zijnde grondslag blijkt, behelst hetgeen de moeder van eiseres heeft geschreven in wezen geen nieuws. De Raad stelt vast dat met betrekking tot het tijdstip waarop de psychische klachten van eiseres invaliderend tot uiting zijn gekomen geen nieuwe medische gegevens zijn aangevoerd die er toe zouden moeten leiden dat verweerster haar standpunt dat 1989 als dat tijdstip moet worden aangemerkt niet langer kan handhaven en toch 1979 als “peiljaar” zou moeten beschouwen. Evenmin is er sprake van nieuwe feiten of gegevens omtrent de door eiseres genoten inkomsten uit het laatstelijk voor het invaliderend tot uiting komen van haar psychische klachten door haar uitgeoefende beroep. Dat geldt voor de jaren tussen 1979 en 1989 en ook voor de jaren daaraan voorafgaand. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat niet gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit niet tot herziening over te gaan. Het bestreden besluit dient dan ook te worden gehandhaafd. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) P. van der Wal.