Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV3350

Datum uitspraak2006-02-23
Datum gepubliceerd2006-03-03
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/5570 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schorsing brandweerman in verband met relatie met vroeger partner van collega.


Uitspraak

04/5570 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldenzaal, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 26 augustus 2004, nr. 04/147 AW AQ1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 12 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.A. Breetveld, advocaat te ’s-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A. Maas, G.J.J. Lammerink en J.A.C. Loohuis, allen werkzaam bij de gemeente Oldenzaal. II. MOTIVERING 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellant is sedert 1975 werkzaam als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer te Oldenzaal, laatstelijk als bevelvoerder. In 2003 kreeg appellant een relatie met de voormalige partner van een andere vrijwilliger van dat korps. Vanwege de daardoor ontstane spanningen is appellant bij besluit van 24 juni 2003 met toepassing van artikel 19:1:35, eerste lid, aanhef en onder d, van de Lokale Uitwerkingsovereenkomst gemeente Oldenzaal in het belang van de dienst geschorst als vrijwilliger bij de brandweer, met behoud van de vaste jaarlijkse vergoeding maar zonder de vergoeding voor piketdienst en voor het uitrukken en deelnemen aan oefeningen. Voorts is gedaagde een nader onderzoek gestart teneinde te bezien of het dienstverband van appellant als vrijwilliger bij de brandweer kan blijven voortbestaan. De schorsing zou gedurende het onderzoek gelden. Het schorsingsbesluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 december 2003. 2. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. 3.1. Gedaagde heeft zijn besluit gebaseerd op de overweging dat er sprake is van spanningen zowel tussen appellant en de direct betrokken collega vrijwilliger als tussen appellant en andere leden van de groep aan wie appellant als bevelvoerder leiding geeft, en ook tussen appellant en andere leden van het brandweerkorps. Tevens is er sprake van een vertrouwensbreuk en als gevolg daarvan een onwerkbare situatie. In het licht van de taken en werkzaamheden van de brandweer en de veiligheid van een ieder kon gedaagde die situatie niet laten voortbestaan en was schorsing van appellant aangewezen, aldus gedaagde. Appellant heeft betwist dat sprake was van genoemde spanningen en heeft aangevoerd dat de korpsleiding jegens hem vooringenomen is, hetgeen reeds zou blijken uit het feit dat onmiddellijk over ontslag is gesproken. Appellant heeft er op gewezen dat ook de bezwaaradviescommissie zulks heeft vastgesteld. Appellant heeft tot slot gesteld dat hij steeds openheid heeft betracht en de kwestie met de betrokken collega, die overigens niet in zijn ploeg werkzaam was, heeft uitgesproken. 3.2. Met betrekking tot de spanningen is van de zijde van gedaagde uiteengezet dat door het gedrag van appellant onrust was ontstaan in de ploegen en dat veel collega’s moeite hadden met de relatie van appellant met de ex-vriendin van een andere collega. Uit het verslag van door gedaagde geëntameerde bijeenkomsten op 20 en 21 mei 2003 blijkt dat de mening is gevraagd van de ploegleden, dat de meerderheid het gedrag van appellant afkeurde en dat enkelen bevestigd hebben dat daardoor spanningen zijn opgetreden. Gesignaleerd is verder dat de betrokken andere collega niet meer verscheen op oefeningen. Ook is opgemerkt dat enkele partners van vrijwilligers zich in verlegenheid gebracht voelden door de komst van appellant met zijn nieuwe vriendin naar een korpsactiviteit buiten werktijd. 3.3. De Raad stelt, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, vast dat de gestelde spanningen hun oorzaak vonden in de verontwaardiging over, en morele bezwaren van een aantal collega’s van appellant tegen diens verhouding met de ex-vriendin van een collega. Gelet op hetgeen van de zijde van gedaagde is aangevoerd is echter onvoldoende onderbouwd dat die spanningen zodanig waren dat het uitvoeren van de normale brandweertaken in de gemeente Oldenzaal in het gedrang kwam, dat sprake was van een vertrouwensbreuk en schorsing van appellant aangewezen was. Niet alleen blijkt uit de gedingstukken onvoldoende van de door gedaagde gestelde omvang en intensiteit van de spanningen, maar ook wanneer daarvan zou moeten worden uitgegaan had gedaagde, naar het oordeel van de Raad, onvoldoende aanleiding om deze verontwaardiging te honoreren met een schorsing van appellant, nu deze verontwaardiging immers uitsluitend betrekking had op een privé aangelegenheid, waar appellant overigens steeds openheid over heeft betracht, die op geen enkele wijze het - zoals door gedaagde gestelde - professionele functioneren van het korps behoort te beïnvloeden. Voorzover er al sprake was van spanningen had gedaagde andere hem ten dienste staande middelen dienen aan te grijpen, om de situatie weer te normaliseren. 3.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. Het bestreden besluit houdt geen stand nu het een deugdelijke motivering ontbeert. Ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. 3.5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg ten bedrage van € 644,- wegens rechtsbijstand en in hoger beroep ten bedrage van € 644,- wegens rechtsbijstand en € 36,32 wegens reiskosten, derhalve in totaal € 1.324,32. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 december 2003; Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 1.324,32, te betalen door de gemeente Oldenzaal; Bepaalt dat de gemeente Oldenzaal aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 321,- vergoedt. Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2006. (get.) J.C.F. Talman. (get.) P.W.J. Hospel. HD 06.02