Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV3544

Datum uitspraak2006-03-02
Datum gepubliceerd2006-03-07
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers05/2902
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking bijstandsuitkering op grond van artikel 54 lid 4 WWB blijft ook mogelijk na overschrijding van de maximale opschortingstermijn van 8 weken, genoemd in artikel 54 lid 1 WWB


Uitspraak

05 / 2902 NABW RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht Enkelvoudige kamer UITSPRAAK in de zaak van (naam eiser) wonende te Zevenbergen, eiser, gemachtigde mr. J.L.P. Heuts, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, verweerder. 1. Het procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 juni 2005 (bestreden besluit), inzake de beëindiging van zijn bijstandsuitkering. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 22 december 2005, waarbij aanwezig waren eisers vader en zijn gemachtigde en namens verweerder C.M. Vermeulen en H. Stoop. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde eiser en zijn vriendin (naam vriendin) onder ede een verklaring te laten afleggen met betrekking tot het inleveren van een rechtmatigheids-onderzoeksformulier van november 2004 op 7 januari 2005. De behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van 2 februari 2006, waarbij aanwezig waren eiser, zijn vader, zijn gemachtigde en (naam vriendin) en namens verweerder M.D.C. Schouwenaars, H.A.A.G. Stoop en J.C. den Bakker. Zowel eiser als (naam vriendin) zijn als getuige onder ede gehoord. J.C. den Bakker heeft een toelichting gegeven over de wijze waarop aan de balie van het gemeentehuis van Moerdijk met rechtmatigheidsonderzoeksformulieren wordt omgegaan. 2. De beoordeling 2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft van verweerder een bijstandsuitkering ontvangen, laatstelijk krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb). Verweerder heeft eiser bij brief van 6 december 2004 medegedeeld dat hij op 24 november 2004 zijn rechtmatigheidsonderzoeksformulier (rof) over de maand november moest inleveren en dat verweerder dit nog niet heeft ontvangen. Om te voorkomen dat verweerder een maatregel moet opleggen, is geadviseerd het rof alsnog binnen vijf dagen in te leveren. Hierbij is vermeld dat als eiser dit niet doet, de betaling van zijn uitkering vanaf 1 november 2004 wordt stopgezet. Tevens is vermeld dat als verweerder het rof niet binnen één maand ontvangt de uitkering vanaf 1 november 2004 wordt beëindigd. Bij besluit van 7 februari 2005 (primair besluit) heeft verweerder de Abw-uitkering van eiser per 1 november 2004 beëindigd omdat hij niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht. Verweerder heeft gesteld dat eiser over de maanden november en december zijn rof niet heeft ingeleverd. Hij heeft daarom geen recht meer op een uitkering. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser, conform het advies van de vaste commissie van advies voor bezwaarschriften, ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Verweerder heeft nog aanvullend overwogen dat het rof op 6 januari 2005 nog niet was ingeleverd en dat als extra service nog is gebeld met eisers vader en zus, omdat zij eisers zaken behartigen. Aan eiser is tot en met de ochtend van 7 januari 2005 de gelegenheid geboden het rof alsnog in te leveren. Omdat niets werd ontvangen is de uitkering met ingang van 1 november 2004 beëindigd. 2.2 Omtrent de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen overweegt de rechtbank het volgende. Per 1 januari 2004 is de Abw ingetrokken, en is de Wwb in werking getreden, met dien verstande dat enkele bepalingen van de Wwb, de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Iwwb) en de Abw eerst op een later tijdstip in werking treden dan wel vervallen. Volgens artikel 53a Wwb, eerste lid, bepaalt het college, onverminderd artikel 28, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, welke gegevens ten behoeve van de verlening van de bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw (dat een gelijke strekking heeft als artikel 17, eerste lid, van de Wwb) doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald. Met ingang van 1 januari 2004 zijn de artikelen 69 en 78 tot en met 90 van de Abw vervallen, en zijn de artikelen 54, 58 en 59 van de Wwb in werking zijn getreden. Voor zover hier van belang luidt artikel 54 van de Wwb als volgt: 1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten: a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. (…) 4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort. Verweerder heeft bij besluit van 25 januari 2005 vastgesteld de Beleidsregels “inzake de wijze van het verstrekken van inlichtingen” Wet werk en bijstand gemeente Moerdijk 2005. 2.3 Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot het toepasselijke recht is overwogen volgt dat verweerder ten onrechte het bestreden besluit heeft gebaseerd op artikel 69 van de Abw. Dit betekent dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd omdat het op een onjuiste bevoegdheids-grondslag berust. 2.4 Vervolgens zal de rechtbank bezien of er aanleiding is gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven bevoegdheid om de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Daartoe zal het bestreden besluit ook inhoudelijk worden getoetst. 2.5 Namens eiser is aangevoerd dat verweerders beleid inzake het inleveren van een rof onredelijk is en voorts, dat toepassing van dit beleid in de situatie van eiser onredelijk is. Iedere maand moet een rof moet worden ingeleverd, ook als er niets is gewijzigd. In eisers situatie levert dit problemen op, aangezien hij hier geestelijk niet toe in staat is. Papierwerk is voor hem te veel, hij kan zich daar niet op concentreren en zijn geest blokkeert vervolgens te nemen maatregelen om ernstige gevolgen te voorkomen. Voorts is zijn situatie al jaren ongewijzigd, op de maandelijks terugkerende problemen omtrent het inleveren van het rofje na, hetgeen ook is bevestigd door een medewerkster van verweerder tijdens de hoorzitting. Zij heeft ook aangehaald dat het maandelijks inleveren van het rofje eenvoudigweg beleid is van verweerder en dat er slechts sporadisch uitzonderingen worden gemaakt. Eisers ge-machtigde is van mening dat eiser de uitgesproken persoon is voor een dergelijke uitzondering. Aangegeven is dat, voorafgaand aan de beslissing om voor hem een uitzondering te maken, een verklaring van een psychiater wellicht extra duidelijkheid zou kunnen bieden over eisers precieze geestelijke toe-stand; een dergelijke verklaring zal zo spoedig mogelijk in het geding worden gebracht. Volgens artikel 53a van de Wwb komt verweerder de bevoegdheid toe te bepalen welke gegevens door een belanghebbende in ieder geval moeten worden verstrekt ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan, welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. Verweerder komt hierbij beoordelingsruimte toe. Volgens verweerders Beleidsregels heeft het college als regel gesteld dat de belanghebbende in elk geval gegevens dient te verstrekken over inkomen, vermogen, woonomstandigheden, gezinssamenstelling, omstandigheden die hebben geleid tot bijstandsafhankelijkheid, arbeidssituatie en (onbetaald) werk of scholingsactiviteiten. De rechtbank is van oordeel dat deze gegevens van belang zijn voor de vaststelling dan wel voortzetting van het recht op bijstand, zodat dit beleid niet onredelijk is. Dat maandelijks een rof met die gegevens moet worden ingeleverd is evenmin onredelijk, nu de bijstand maandelijks wordt uitbetaald. Op grond van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw en in artikel 17, eerste lid, van de Wwb neergelegde inlichtingenplicht was eiser verplicht de gevraagde gegevens te verschaffen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat voor eiser, gelet op zijn geestelijke toestand, een uitzondering had moeten worden gemaakt. De door eiser aangekondigde verklaring van een psychiater is niet in het geding gebracht waardoor een deugdelijke medische onderbouwing ontbreekt. De conclusie is dat eiser verplicht was tijdig een ingevuld rof voor de maand november 2004 bij verweerder in te leveren en dat hem kan worden verweten dat te hebben nagelaten. 2.6 Gelet op het hier toepasselijke artikel 54, vierde lid, van de Wwb dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of verweerder in redelijkheid gebruik zou hebben kunnen maken van zijn bevoegdheid het besluit tot toekenning van de bijstand in te trekken met ingang van 1 november 2004, de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort. Namens eiser is – samengevat – aangevoerd dat hij het rof van november 2004 wel degelijk tijdig heeft ingeleverd aan de balie van de gemeente Moerdijk en wel op 7 januari 2005 in de ochtend. Nadat verweerder op 6 januari 2005 telefonisch contact heeft opgenomen met zowel de zus als de vader van eiser is eisers vader diezelfde avond nog naar (woonplaats) gereden om te bevorderen dat eiser de volgende ochtend het betreffende formulier ging inleveren. Eiser is op 7 januari 2005 samen met een vriendin, (naam vriendin), naar het gemeentehuis gegaan en heeft daar het formulier afgegeven. Mevrouw (naam vriendin) heeft ook schriftelijk verklaard dat zij heeft waargenomen dat eiser het betreffende rof heeft ingeleverd. Daarnaast heeft eisers moeder, die in (land) woont, haar zoon die dag telefonisch gesproken en van hem vernomen dat hij die ochtend bij het gemeentehuis was geweest met mevrouw (naam vriendin) om het rof in te leveren. De constatering van verweerder dat zij het betreffende formulier niet (meer) in haar bezit heeft, kan eiser niet worden verweten, zo is betoogd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat L. de Wit van de afdeling Frontoffice Sociale Zaken op 7 januari 2005 om 11.50 uur heeft geconstateerd dat zij het rof van eiser niet had ontvangen. Zij is langs alle balies gelopen om daar in de postbakjes te kijken of daar misschien nog iets kon liggen, hetgeen niet het geval was. Ter onderbouwing hiervan is in beroep een verklaring van L. de Wit overgelegd. Volgens verweerder moet daaruit worden geconcludeerd, dat eiser het rof niet op 7 januari 2005 heeft ingeleverd. Eiser en (naam vriendin) zijn op 2 februari 2006 als getuigen onder ede gehoord. Zij zijn daarbij tevens gehoord over hetgeen in de avond van 6 januari 2005 is voorgevallen. Eiser heeft verklaard dat zijn vader na 23.00 uur langskwam. Hij weet niet zeker of (naam vriendin) aanwezig was toen zijn vader kwam. Zij heeft wel gelogeerd. Zij was niet aanwezig bij het gesprek tussen eiser en zijn vader, uit respect voor de positie van zijn vader als belangenbehartiger. (naam vriendin) heeft echter bij herhaling verklaard dat zij wel bij het gesprek tussen eiser en zijn vader aanwezig is geweest en dat eisers vader heeft gezegd dat het formulier de volgende ochtend bij de gemeente moest zijn ingeleverd. Hetgeen eiser en (naam vriendin) op dit punt hebben verklaard valt niet met elkaar te rijmen. Daaraan doet niet af dat eiser later heeft verklaard dat (naam vriendin), hijzelf en zijn vader zich in dezelfde kamer bevonden waarbij (naam vriendin) zich op ongeveer 5 meter afstand van hen bevond. Het gaat hier om een bijstelling van de eerder afgelegde verklaring nadat eiser de verklaring van (naam vriendin) had gehoord, zodat de nadere nuancering van de eerdere verklaring niet in onbevangenheid is afgelegd. Bovendien hebben beiden verklaard dat zij de dag voor het getuigenverhoor nog bij eisers advocaat zijn geweest, zodat moet worden aangenomen dat zij op het getuigenverhoor goed waren voorbereid. Nu de verklaringen op een essentieel onderdeel niet overeenstemmen bestaat ook gerede twijfel over het waarheidsgehalte van hetgeen eiser en (naam vriendin) hebben verklaard over het inleveren van het rof op 7 januari 2005. Aan de verklaring van eisers moeder komt geen doorslaggevende betekenis toe omdat zij enkel verklaart over wat zij telefonisch van haar zoon heeft vernomen. Mede gelet op de omstandigheid dat van de zijde van verweerder op 6 januari 2005 telefonisch contact is gezocht met de vader en zus van eiser om nog een laatste uitstel te geven tot en met de ochtend van 7 januari 2005 is het aannemelijk, dat L. de Wit in het bijzonder aandacht heeft gehad voor het inleveren van het rof van eiser en dat het rof niet aan de aandacht zou zijn ontsnapt als het was ingeleverd. Op grond van het voorgaande is het oordeel, dat eiser er niet in is geslaagd op overtuigende wijze aannemelijk te maken dat hij het rof op 7 januari 2005 heeft ingeleverd. Het moet er rechtens dan ook voor worden gehouden, dat dit niet is gebeurd. Uit het voorgaande vloeit voort, dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser het rof niet binnen de daarvoor gestelde – en vervolgens verlengde – termijn heeft ingeleverd zodat het verzuim niet was hersteld. Verweerder zou dan ook in beginsel de bevoegdheid zijn toegekomen, de uitkering van eiser met ingang van 1 november 2004 te beëindigen. 2.7 Bij gelegenheid van de behandeling ter zitting is ter sprake gekomen of de overschrijding van de maximale opschortingstermijn van acht weken van invloed is op de bevoegdheid tot beëindiging van de uitkering. Verweerder heeft zich dienaangaande gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De tekst van artikel 54 Wwb verbindt aan de overschrijding van de maximale opschortings-termijn niet het rechtsgevolg dat daarmee de toepassing van de in artikel 54, vierde lid, Wwb gegeven bevoegdheid wordt beperkt. Ook in de wetsgeschiedenis is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden. De opschortingstermijn is om redenen van rechtszekerheid beperkt. Het staken van de opschorting ontneemt verweerder in beginsel niet de in het derde lid van artikel 54 van de Wwb neergelegde bevoegdheid, een besluit tot toekenning van bijstand in te trekken of herzien – met name wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting – , waarna de teveel betaalde bijstand op grond van artikel 58 Wwb kan worden teruggevorderd. Er valt daarom evenmin in te zien dat het overschrijden van de opschortingstermijn de bevoegdheid tot beëindiging zou aantasten in het geval de gevraagde inlichtingen niet binnen de hersteltermijn zijn verstrekt. Het enkele feit dat verweerder na verloop van acht weken niet bevoegd was de uitkering nog langer op te schorten maakt dan ook niet, dat het recht op bijstand – in de vorm van intrekking van een besluit tot toekenning – niet meer zou kunnen worden beëindigd met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik zou hebben kunnen maken van zijn bevoegdheid de uitkering van eiser met ingang van 1 november 2004 te beëindigen. Uit een oogpunt van de beoordeling van het recht op bijstand hanteert verweerder het beleid dat het besluit tot toekenning van de bijstand wordt ingetrokken met ingang van de ingangsdatum van de termijn van opschorting. Dit beleid is niet onredelijk. Bovendien heeft verweerder in het geval van eiser de termijn om het verzuim te herstellen verlengd, alsmede opgemerkt dat als het rof na het weekend wel aanwezig zou zijn geweest, de uitkering niet zou zijn beëindigd. Verweerder heeft dan ook blijk gegeven van een op de persoon van eiser afgestemde belangenafweging. 2.8 Nu het bestreden besluit enkel wordt vernietigd omdat het is gebaseerd op een onjuiste bevoegdheidsgrondslag, maar overigens de inhoudelijke toetsing kan doorstaan, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. 2.9 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proces-kosten van eiser. Nu het onderzoek ter zitting enkel is geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren van zijn stelling dat hij het rof heeft ingeleverd maar in dat bewijs niet is geslaagd, dienen de kosten voor het getuigenverhoor met toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht ten laste van eiser te blijven. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten vastgesteld op het hieronder opgenomen verminderde bedrag. 3. De beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; gelast dat de gemeente Moerdijk aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,- te betalen door de gemeente Moerdijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, en in aanwezigheid van C.J.M. van der Veeken, griffier, in het openbaar uitgesproken op Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak. Afschrift verzonden op: