Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV3990

Datum uitspraak2006-02-14
Datum gepubliceerd2006-03-08
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers04/850290-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uit jurisprudentie blijkt dat de invulling van het bestanddeel "feitelijkheid" mede afhangt van omstandigheden van feitelijke aard, waarbij het scheppen van een situatie die bij het slachtoffer de vrees oproept dat hij zijn vrijheid van handelen kwijt is, voldoende is voor het aannemen van dwang door een feitelijkheid. Onder omstandigheden kan een dergelijke feitelijkheid ook hierin bestaan dat het slachtoffer tegen zijn wil wordt onderworpen aan enige ontuchtige handeling op zodanige wijze dat hij niet de gelegenheid krijgt zich te verzetten. Ook dan immers wordt hij door "slim" handelen van de verdachte tegen zijn wil tot voorwerp van enige ontuchtige handeling gemaakt. (Formulering van de samenvatting ontleend aan de conclusie van mr. Vellinga bij LJN: AU 4825, HR 03076/04 (13/12/05)). Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt de politierechter niet van dusdanige factoren of omstandigheden dat verdachte in de zin van de wet en jurisprudentie het slachtoffer gedwongen heeft de ontuchtige handelingen te ondergaan, dan wel dat door toedoen van verdachte bij het slachtoffer de vrees heeft kunnen ontstaan dat zij haar vrijheid van handelen kwijt was.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND Parketnummer : 04/850290-05 uitspraak d.d. : 14 februari 2006 TEGENSPRAAK VONNIS van de politierechter te Roermond, in de zaak tegen: naam : [verdachte] voornamen : [voornamen] geboren op : [geboortedatum en -plaats] adres : [adres] plaats : [woonplaats] 1. Het onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 januari 2006. 2. De tenlastelegging De verdachte staat terecht ter zake dat: 1. hij op of omstreeks 06 december 2004 in de gemeente Roermond, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het strelen van de rug van die [slachtoffer] en/of het strelen en/of betasten van de borst(en) van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds beetpakken althans vastpakken van de borst(en) en/of de rug van die [slachtoffer]; (artikel 246 Wetboek van Strafrecht) Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de politierechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad. 3. De geldigheid van de dagvaarding Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 4. De bevoegdheid van de politierechter Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. 5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen. 6. Schorsing der vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 7. Overweging De politierechter is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het tenlastegelegde onverhoeds beetpakken althans vastpakken van de borst(en) en/of de rug van die [slachtoffer], is te beschouwen als feitelijkheden die het slachtoffer hebben gedwongen tot het dulden van de tenlastegelegde ontuchtige handelingen. Daartoe overweegt de politierechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de feitelijkheid of feitelijkheden zo bedreigend moeten zijn dat het slachtoffer er echt door gedwongen wordt de ontuchtige handeling te dulden. Dit is ook van toepassing indien het betreft ernstig ongewenste intimiteiten. (Memorie van Toelichting, kamerstukken II 1988-1989, 20 930, nr. 5, blz. 17). Uit jurisprudentie blijkt dat de invulling van het bestanddeel "feitelijkheid" mede afhangt van omstandigheden van feitelijke aard, waarbij het scheppen van een situatie die bij het slachtoffer de vrees oproept dat hij zijn vrijheid van handelen kwijt is, voldoende is voor het aannemen van dwang door een feitelijkheid. Onder omstandigheden kan een dergelijke feitelijkheid ook hierin bestaan dat het slachtoffer tegen zijn wil wordt onderworpen aan enige ontuchtige handeling op zodanige wijze dat hij niet de gelegenheid krijgt zich te verzetten. Ook dan immers wordt hij door "slim" handelen van de verdachte tegen zijn wil tot voorwerp van enige ontuchtige handeling gemaakt. (Formulering van de samenvatting ontleend aan de conclusie van mr. Vellinga bij LJN: AU 4825, HR 03076/04 (13/12/05)). Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt de politierechter niet van dusdanige factoren of omstandigheden dat verdachte in de zin van de wet en jurisprudentie het slachtoffer gedwongen heeft de ontuchtige handelingen te ondergaan, dan wel dat door toedoen van verdachte bij het slachtoffer de vrees heeft kunnen ontstaan dat zij haar vrijheid van handelen kwijt was. Het betrof een situatie tussen twee gelijkwaardige personen in uiterlijk gelijkwaardige omstandigheden waarin verdachte gebruik heeft gemaakt van de omstandigheid dat het slachtoffer noch meteen na de begroeting noch na het onverhoeds aanraken van de rug, noch op enig later moment, niet onmiskenbaar te kennen heeft gegeven niet van zijn avances gediend te zijn. Toen verdachte meende bij zijn vertrek het slachtoffer nog te kunnen kussen, heeft het slachtoffer hem weggeduwd en is verdachte ook zonder verder aandringen vertrokken. Onder dat geheel van factoren en omstandigheden is naar oordeel van de politierechter het onverhoeds aanraken ook niet als een feitelijke omstandigheid aan te merken. De politierechter zal verdachte dan ook vrij spreken van het tenlastegelegde feit. 7.1. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres slachtoffer], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden immateriële schade. [slachtoffer] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 1157,80 gesteld en wil die schade vergoed krijgen. Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard. De verdachte zal derhalve niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Niet gebleken is dat de benadeelde partij (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil. De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld. BESLISSING De politierechter: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres slachtoffer] niet-ontvankelijk. Vonnis gewezen door de politierechter mr. N.J.M. Ruyters , in tegenwoordigheid van mr. I.E.A. Bronkhorst als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechter voornoemd op 14 februari 2006.