Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV4232

Datum uitspraak2006-02-24
Datum gepubliceerd2006-03-10
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/73 AOW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzet ongegrond. Niet tijdige betaling griffierecht. Zeer ruime termijn. Financiële situatie.


Uitspraak

05/73 AOW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats] (Duitsland), opposant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING De Raad heeft bij uitspraak van 30 juni 2005 het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2004, nummer AWB 03/1607 AOW, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald. Tegen die uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend. Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 13 januari 2006, waar opposant is verschenen in persoon en waar geopposeerde zich - met voorafgaand bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad de vraag te beantwoorden of het hoger beroep bij zijn uitspraak van 30 juni 2005 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. In het verzetschrift en ter zitting heeft opposant aangevoerd dat het voor hem vanwege zijn financiële situatie niet mogelijk is het verschuldigde griffierecht te betalen en dat hij al veel geld en tijd heeft verloren om zijn recht te halen. Hetgeen opposant heeft aangevoerd bevat geen grond op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. De Raad overweegt daartoe dat de indiener van het beroepschrift ingevolge artikel 22 van de Beroepswet een griffierecht is verschuldigd en dat een beroepschrift alleen in behandeling kan worden genomen nadat het verschuldigde griffierecht binnen de daartoe gestelde termijn is voldaan. De Raad weegt daarbij mee dat aan opposant, gelet op zijn financiële situatie, een zeer ruime termijn is gegeven voor de betaling van het griffierecht. Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Awb ongegrond te worden verklaard. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2006. (get.) J. Janssen. (get.) A.C.W. Ris-van Huussen.