Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV4647

Datum uitspraak2006-03-09
Datum gepubliceerd2006-03-13
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6521 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij voorlopige voorziening tegen de bezoldiging mag kortsluiting ook ten aanzien van de berisping slechts indien de verwevenheid zodanig is dat er sprake is van één besluit.


Uitspraak

04/6521 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Minister van Justitie, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank [woonplaats] van 18 oktober 2004, nrs. AWB 04/3357, AWB 04/3358 en AWB 04/3359, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift, met bijlagen, ingediend. Door beide partijen zijn nog nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 2 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.F. Adolf, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.M. Roelvink, advocaat te Groningen, alsmede door mr. R.J. Vos en C. Blom, beiden werkzaam bij het ministerie van Justitie. II. MOTIVERING 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellant was sedert 1 februari 1994 werkzaam als bewaarder/penitentiair inrichtingswerker bij de unit [naam unit] van (thans) de Penitentiaire Inrichtingen [woonplaats] (PIA). Nadat appellant enige tijd op de afdeling Planning had gewerkt, heeft er op 24 maart 2004 een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en de unit-directeur over beëindiging van de werkzaamheden op die afdeling en de terugkeer naar paviljoen 4, waar appellant voordien werkzaam was geweest. Toen appellant door de unit-directeur werd medegedeeld dat hij voorlopig wel in paviljoen 4 kon werken, maar daarvoor niet vast kon worden ingezet, is appellant, onder de mededeling dat hij zich ziek meldde, naar huis gegaan. 1.2. Aan een nog dezelfde dag bij appellant bezorgde oproep om de volgende dag op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen, heeft appellant zonder bericht van verhindering geen gevolg gegeven. Evenmin is appellant verschenen op een oproep voor 30 maart 2004. Op 5 april 2004 is appellant onderzocht door de bedrijfsarts, die hem niet arbeidsongeschikt achtte. Naar aanleiding hiervan is appellant bij brief van 6 april 2004 medegedeeld dat hij zich op 8 april 2004 om 13.00 uur op het werk diende te melden. Appellant heeft die dag zijn werkzaamheden niet hervat, maar zich ’s morgens (opnieuw) ziek gemeld. Deze ziekmelding is door gedaagde niet geaccepteerd. 1.3. Bij primair besluit van 7 april 2004 is appellant ter zake van het niet verschijnen bij de bedrijfsarts op 24 en 30 maart 2004 de disciplinaire straf van berisping opgelegd. 1.4. Bij primair besluit van 15 april 2004 heeft gedaagde met toepassing van het bepaalde in artikel 43, eerste lid, onder o, p en q, (oud) van het Algemeen Rijksambtenaren-reglement (ARAR) appellants aanspraken op bezoldiging met ingang van 8 april 2004 vervallen verklaard. De door appellant tegen deze twee besluiten gemaakte bezwaren zijn bij het thans bestreden besluit van 10 juni 2004 ongegrond verklaard. Daarbij is tevens gehandhaafd gedaagdes besluit om appellant niet vast in paviljoen 4 te plaatsen. 1.5. Voorts is appellant bij primair besluit van 12 mei 2004 de toegang tot alle dienst-lokalen en dienstgebouwen van de PIA ontzegd en is hem bij primair besluit van 17 juni 2004 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Ook tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 11 april 2005, heeft gedaagde deze bezwaren ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank, op welk beroep nog geen uitspraak is gedaan. 2.1. Appellant heeft op 22 juli 2004 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juni 2004 en op die datum de voorzieningenrechter van de rechtbank tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van dat besluit voorzover dat zag op de vervallenverklaring van de bezoldiging en voorts ten aanzien van het destijds nog primaire besluit tot onvoorwaardelijk strafontslag. 2.2. De voorzieningenrechter heeft bij de aangevallen uitspraak, voorzover in hoger beroep van belang, onder toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak en daarbij het beroep tegen het besluit van 10 juni 2004 ongegrond verklaard. 3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte ten aanzien van het gehele besluit van 10 juni 2004 toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86 van de Awb. Naar zijn oordeel was slechts ten aanzien van de in dat besluit neergelegde vervallenverklaring van de bezoldiging een voorlopige voorziening aangevraagd en niet (tevens) ten aanzien van de andere daarin vervatte besluiten waaronder de berisping. Appellant acht zich in zijn belangen geschaad nu hij er niet op was voorbereid dat de voorzieningenrechter ook andere besluiten dan waarvoor een voorlopige voorziening was gevraagd, definitief zou afdoen. Appellant is van oordeel dat de rechtbank alsnog op zijn beroep tegen de berisping dient te beslissen. 3.2. Appellant heeft voorts inhoudelijke grieven aangevoerd tegen het oordeel van de voorzieningenrechter. Volgens hem heeft hij zich niet schuldig gemaakt aan enige gedraging die het opleggen van een disciplinaire straf dan wel de vervallenverklaring van zijn bezoldiging rechtvaardigt. 4.1. De Raad concludeert uit hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd dat het hoger beroep zich beperkt tot de ongegrondverklaring door de voorzieningenrechter van appellants beroep tegen de in het bestreden besluit neergelegde berisping en de vervallenverklaring van de bezoldiging. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. Ten aanzien van de berisping: 4.2.1. Niet in geschil is dat appellant slechts heeft verzocht om een voorlopige voorziening met betrekking tot de in het besluit van 10 juni 2004 opgenomen vervallenverklaring van de bezoldiging en niet tevens ten aanzien van de berisping. De Raad is van opvatting dat de voorzieningenrechter ten aanzien van de berisping slechts dan toepassing mocht geven aan artikel 8:86 van de Awb indien gezegd moet worden dat er tussen de berisping en de vervallenverklaring van de bezoldiging een zodanige verwevenheid bestaat dat zij als één besluit moeten worden gezien. Hiervan is naar het oordeel van de Raad geen sprake. De berisping is op een ander feitencomplex gebaseerd dan de vervallenverklaring van de bezoldiging, terwijl het voorts toepassing van verschillende bepalingen uit het ARAR betreft. 4.2.2. De voorzieningenrechter was derhalve niet bevoegd ten aanzien van de berisping met toepassing van artikel 8:86 van de Awb uitspraak te doen. De Raad ziet aanleiding, mede gelet op hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd, deze zaak met toepassing van artikel 26 van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank. Ten aanzien van de vervallenverklaring van de bezoldiging. 4.3.1. Gedaagde heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 43, eerste lid, (oud) van het ARAR, waarin is bepaald dat de aanspraken van de (gewezen) ambtenaar gedurende de eerste 52 weken van ongeschiktheid tot werken vervallen, indien hij zich niet houdt aan één van de in dat artikel neergelegde verplichtingen. 4.3.2. De Raad stelt vast dat appellant door gedaagde niet arbeidsongeschikt werd geacht sedert 25 maart 2004 en dat de door appellant op 8 april 2004 gedane ziekmelding door gedaagde niet is geaccepteerd. Uit gedaagdes brief aan appellant van 8 april 2004 valt geen andere conclusie te trekken dan dat er bij gedaagde geen twijfel bestond over de geschiktheid van appellant om zijn werkzaamheden die dag te hervatten. 4.3.3. Nu appellant naar het oordeel van gedaagde op 8 april 2004 niet kan worden aangemerkt als een ambtenaar die ongeschikt tot werken was, kon gedaagde op die dag ook geen toepassing geven aan artikel 43 (oud) ARAR. Het beroep van appellant tegen dit onderdeel van het bestreden besluit slaagt derhalve. 5. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen, voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 10 juni 2004 ongegrond is verklaard. 6. De Raad vindt tevens aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 161,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand, derhalve in totaal € 805,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit 10 juni 2004 ongegrond is verklaard; Wijst het beroep tegen de berisping terug naar de rechtbank; Verklaart het beroep tegen de vervallenverklaring van de bezoldiging gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre; Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-, te betalen door de Staat der Nederlanden; Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 205,- vergoedt. Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.J.W. Loots. Q