Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV4743

Datum uitspraak2006-03-09
Datum gepubliceerd2006-03-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 06/1072
Statusgepubliceerd


Indicatie

Stopzetting en intrekking met terugwerkende kracht van WAO-uitkering.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 06/1072 Uitspraak van de Voorzieningenrechter van 9 maart 2006 inzake [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, gemachtigde mr. R. van Oostrom, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder, gemachtigde mr. J.J.C. Röttjers. Procesverloop Verzoeker ontving sinds 1986 WAO-uitkering. Volgens een arbeidskundig onderzoek d.d. 3 januari 2006 zou die uitkering vanaf 1 mei 2000 ten onrechte zijn uitbetaald. In verband hiermee heeft verweerder de uitbetaling van de WAO-uitkering kennelijk met ingang van 1 februari 2006 stopgezet. Tevens heeft verweerder bij besluit van 9 januari 2006 de WAO-uitkering met terugwerkende kracht over de periode van 1 mei 2000 tot 1 februari 2006 ingetrokken. Tegen dit besluit is namens verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens is bij brief van 24 februari 2006 verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is behandeld ter zitting van 7 maart 2006, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich daar door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen. Overwegingen Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Een voorwaarde voor het treffen van een voorlopige voorziening is dus de aanwezigheid van een voldoende spoedeisend belang. Dit betekent voor een geval als het onderhavige dat er sprake dient te zijn van een acute financiële noodsituatie. Van dit laatste is in ieder geval geen sprake voorzover het gaat om genoemde intrekking met terugwerkende kracht. Weliswaar is aan die intrekking een terugvordering verbonden, maar daarvoor kan een betalingsregeling worden getroffen. Bij een dergelijke regeling zal in het oog worden gehouden dat verzoeker nog kan blijven voorzien in de noodzakelijk kosten van levensonderhoud. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen voorzover het verband houdt met de intrekking van WAO-uitkering over een periode in het verleden. De voorzieningenrechter komt niet toe aan de vraag of de stopzetting van de WAO-uitkering per 1 februari 2006 leidt tot een acute financiële noodsituatie. Verweerder heeft over die stopzetting namelijk geen besluit genomen, zodat op dit punt de vereiste samenhang met een bezwaarprocedure (ook wel genoemd: connexiteit) ontbreekt. Voorzover het verzoek verband houdt met de stopzetting van de WAO-uitkering dient het niet-ontvankelijk te worden verklaard. Bij het voorgaande wil de voorzieningenrechter nog opmerken dat bezwaarlijk kan worden aangenomen (behoudens wellicht in het geval van volledige intrekking van een toekenningsbesluit) dat de intrekking van een uitkering met ingang van een datum in het verleden zou impliceren dat er met ingang van een actuele of toekomstige datum evenmin recht op die uitkering zou bestaan. De actuele of toekomstige omstandigheden kunnen immers zodanig wijzigen dat zij (opnieuw) recht op uitkering met zich brengen. Bovendien veroorzaakt de afwezigheid van een besluit omtrent de actuele of toekomstige stopzetting van een uitkering verwarring en onduidelijkheid in het geval van een gevraagde voorlopige voorziening. Enerzijds bestaat er dan voor het bestuursorgaan geen reden om onderzoek te doen naar feiten die het actuele recht op uitkering beïnvloeden en anderzijds zal de verzoekende partij zich vaak concentreren op gebeurtenissen in het verleden en onvoldoende het accent leggen op actuele omstandigheden. Dit is in casu ook gebeurd. In gevallen als het onderhavige zou - zo meent de voorzieningenrechter - besluitvorming in de volgende volgorde logisch en wenselijk zijn: 1. een besluit tot schorsing en/of beëindiging van de uitkering met ingang van een actuele of toekomstige datum; 2. een besluit tot intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht over een periode in het verleden; 3. (eventueel) een besluit tot terugvordering en invordering van de uitkering. Gezien het vorenstaande dient het verzoek om een voorlopige voorziening deels te worden afgewezen en deels niet-ontvankelijk te worden verklaard. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter, - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af voorzover het verband houdt met het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering over de periode van 1 mei 2000 tot 1 februari 2006; - verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk voorzover het verband houdt met de stopzetting van de WAO-uitkering per 1 februari 2006. Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter in tegenwoordigheid van mr. S.H. Snoeij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2006. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afschrift verzonden: