Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV4827

Datum uitspraak2006-08-08
Datum gepubliceerd2006-08-08
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5211 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Mededeling van verhindering, verzoek om verdaging van de behandeling ter zitting.


Uitspraak

05/5211 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2005, 04/1405 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College) Datum uitspraak: 8 augustus 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 juli 2006, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Bij besluit van 18 juni 2004 heeft het College de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten van een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie en in die van Miconazolcrème en Depyrrol afgewezen. Bij dat besluit heeft het College voorts bijzondere bijstand toegekend in de reiskosten van appellant tot een bedrag van € 80,--. Bij besluit van 29 september 2004 heeft het Collge het bezwaar tegen het besluit van 18 juni 2004 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 september 2004 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met het feit dat de rechtbank de zitting doorgang heeft laten vinden, hoewel hij op de dag voorafgaand aan de zitting, bij faxbericht van 11 mei 2005, aan de rechtbank had meegedeeld dat hij wegens ziekte verhinderd was om de zitting bij te wonen. De Raad komt tot de volgende beoordeling. In artikel 14, vierde lid (Stcrt.2005, nr.53) van de Procesregeling bestuursrecht, is bepaald dat een verzoek om verdaging van de behandeling ter zitting slechts wordt ingewilligd in uitzonderlijke omstandigheden en indien daarom zo spoedig mogelijk en gemotiveerd wordt verzocht. De Raad is van oordeel dat het faxbericht van 11 mei 2005 aan de rechtbank geen verzoek om verdaging van de behandeling ter zitting als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Procesregeling bestuursrecht bevat of dat het faxbericht als een zodanig verzoek moet worden opgevat. De rechtbank heeft geen rechtsregel geschonden door het faxbericht van 11 mei 2005 aan te merken als een bericht van de zijde van appellant dat hij verhinderd was de zitting van 12 mei 2005 bij te wonen. Gelet op het vorenstaande en op het gegeven dat appellant geen andere grieven tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) R.C. Visser.