Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV4840

Datum uitspraak2006-03-10
Datum gepubliceerd2006-03-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers24-001046-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan schending van een geheimhoudingsplicht die hem was opgelegd als lid van de vertrouwenscommissie die advies moest geven over het al dan niet herbenoemen van de burgemeester van de gemeente [gemeente]. Verdachte heeft op 22 en 23 augustus 2003 uitspraken gedaan in de lokale en regionale media. De uitspraken betroffen het verloop van de herbenoemingsprocedure. Verdachte heeft daarmee het algemeen belang en daarnaast het persoonlijk belang van de burgemeester geschonden. De beraadslaging over (her)benoemingen moet immers in beslotenheid plaatsvinden, enerzijds omdat de burgemeester zich - zonder gevaar voor schending van zijn privacy - vrijelijk moet kunnen kandideren voor deze publieke functie, en anderzijds omdat de vertrouwelijkheid van de persoonlijke visie van de aan de vertrouwenscommissie deelnemende gemeenteraadsleden gewaarborgd moet zijn.


Uitspraak

Parketnummer: 24-001046-05 Arrest van 10 maart 2006 van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Assen van 11 mei 2005 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [1947] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J. Anker, advocaat te Leeuwarden. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank te Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven. Gebruik van het rechtsmiddel De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tevens tot een geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging Het klachtvereiste van artikel 272 tweede lid Sr De raadsman heeft ter zitting betoogd dat het ten laste gelegde misdrijf is gepleegd tegen een bepaald persoon, te weten de burgemeester van [gemeente], aangezien (kort gezegd) zijn belangen in het geding waren en het zijn privacy was die moest worden beschermd. Op grond van artikel 272 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) had het vermeende delict volgens de raadsman derhalve alleen kunnen worden vervolgd op klacht van de burgemeester. Vanwege het ontbreken van die klacht dient in de visie van de raadsman het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging. Het hof overweegt hieromtrent dat het hof in deze zaak reeds op 7 maart 2005 bij arrest heeft geoordeeld dat geen klacht in de zin van artikel 272 tweede lid Sr vereist was en dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging. Het hof acht zich gebonden aan het eerder in de onderhavige zaak gewezen arrest. Het oordeel van het hof op dit punt is dan ook reeds weergegeven in dat arrest. Een ander oordeel zou ertoe leiden dat intern appel tegen uitspraken van het hof mogelijk is. Daarin voorziet de wet niet. De beginselen van een behoorlijke procesorde De raadsman heeft verder aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie de beginselen van een behoorlijke procesorde zou hebben geschonden door alleen verdachte te vervolgen ter zake van het onderhavige feit en geen onderzoek te hebben gedaan naar andere vermoedelijke schendingen van artikel 272 Sr. Het vervolgen van alleen verdachte zou volgens de raadsman een zodanige schending betekenen, dat het openbaar ministerie dientengevolge niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het in artikel 167 Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in, dat het openbaar ministerie bevoegd is om af te wegen of gronden, ontleend aan het algemeen belang, zich verzetten tegen vervolging. De wijze waarop - in geval van vervolging - die belangenafweging heeft plaatsgevonden staat in beginsel niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsbepalingen of de beginselen van een goede procesorde - waaronder het gelijkheidsbeginsel - kan er sprake zijn van een verval van het recht tot strafvordering en een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Van een schending van de hiervoor genoemde beginselen is het hof niet gebleken. De officier van justitie kon in redelijkheid beslissen verdachte te vervolgen, waarbij in het midden kan blijven of de andere personen op wie de raadsman heeft gedoeld zijn aan te merken als "gelijke gevallen". Ook overigens is niet gebleken van een schending van die beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het hof verwerpt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ten overvloede merkt het hof nog op dat bij beschikking van het hof van 22 juli 2005 de klacht van verdachte tegen het uitblijven van een strafvervolging tegen de - naar het hof aanneemt - door de raadsman bedoelde "anderen" is afgewezen. Tenlastelegging Aan verdachte is - overeenkomstig de inleidende dagvaarding - ten laste gelegd dat: hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 22 augustus 2003 tot en met 23 augustus 2003, te [plaats], gemeente [gemeente], althans te [plaats], gemeente [gemeente], in ieder geval in het arrondissement Assen, enig geheim, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht was het te bewaren, (telkens) opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij - op of omstreeks 22 augustus 2003 in interviews met medewerkers van radio- en/of tv-drenthe en/of op of omstreeks 23 augustus in een interview met een medewerker van het Dagblad van het Noorden inhoudelijke mededelingen omtrent het verloop van de procedure in het kader van de herbenoeming van de burgemeester van [gemeente] gedaan, zijnde feiten die hem alleen als lid van de vertrouwenscommissie bekend konden zijn. Het hof beschouwt de datum '23 augustus' als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als '23 augustus 2003'. Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad. Overige verweren De raadsman heeft betwist dat er sprake was van 'enig geheim' in de zin van artikel 272 Sr, nu op 22 augustus 2003 - alvorens verdachte een interview gaf aan Radio Drenthe en verscheen in een uitzending van TV Drenthe - zou zijn gebleken dat er al informatie bekend was over hetgeen door de vertrouwenscommissie besproken was. De raadsman is van mening dat verdachte aldus geen geheim bekend heeft gemaakt, aangezien de mededeling(en) die verdachte deed, niet meer zouden zijn aan te merken als geheim. Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer dat verdachte ter zitting in hoger beroep onder meer heeft verklaard dat hem op 22 augustus 2003 (in een voorgesprek, voordat hij geïnterviewd werd) door een journalist werd gevraagd of hij kon bevestigen dat er een negatief advies van de vertrouwenscommissie lag inzake de herbenoeming van de burgemeester. De journalist zou dat uit anonieme bron hebben vernomen. Het hof leidt uit deze verklaring van verdachte af dat op 22 augustus 2003, voorafgaand aan het gesprek met de journalist, niet méér bekend was dan dat er een gerucht ging over een negatief advies van de vertrouwenscommissie over de herbenoeming van de burgemeester. Uit het dossier valt niet op te maken dat er anderszins informatie over de herbenoemingsprocedure 'op straat lag'. In ieder geval was niet bekend dat de vertrouwenscommissie inmiddels had besloten een positief advies te geven, onder de voorwaarde dat de burgemeester per 31 december 2004 zijn ontslag zou indienen, zo verstaat het hof verdachtes verklaring. Juist over dit laatste heeft verdachte vervolgens bij zijn optredens in de media mededelingen gedaan. Reeds hierom wordt het verweer verworpen. Ook overigens dient het verweer te worden verworpen. Aan verdachte was als lid van de vertrouwenscommissie voor de voorbereiding van de aanbeveling inzake de herbenoeming van de burgemeester een geheimhoudingsplicht opgelegd. In het besluit, waarbij de vertrouwenscommissie is ingesteld, is bepaald dat de geheimhouding ook na de ontbinding van de commissie van kracht blijft. Het verslag van de commissie zou ook bij de bespreking ervan in de raadsvergadering - zoals verdachte bekend was - niet openbaar worden. In het dossier bevindt zich een circulaire van de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 21 november 2001, betreffende 'procedureregels herbenoeming burgemeester'. In die circulaire is onder meer bepaald dat ten aanzien van de stukken die door de commissie aan de raad worden gezonden en de beraadslaging daarover in de raad een geheimhoudingsplicht geldt. Hetgeen in de vertrouwenscommissie over de herbenoeming van de burgemeester aan de orde was gekomen was derhalve bestemd om binnen die commissie (en de raad) te blijven en was geheim in de zin van art. 272 Sr. Eventuele geruchten over een mogelijk negatief advies van de vertrouwenscommissie inzake de herbenoeming van de burgemeester doen daaraan niet af. Door verdachte is nog aangevoerd dat de geheimhoudingsplicht al door de secretaris en de voorzitter van de commissie was geschonden omdat zij de burgemeester op de hoogte hadden gesteld van het verslag van de commissie. Voor zover verdachte hiermee heeft willen aanvoeren dat daarom op hem geen geheimhoudingsplicht meer zou rusten, wordt dit verweer verworpen reeds omdat zowel het instellingsbesluit als de circulaire er (impliciet) in voorzien dat de burgemeester kennis neemt van het verslag. De commissie was immers verplicht het (concept)verslag alvorens het aan de raad te zenden met de burgemeester te bespreken. Voorts heeft de raadsman betoogd - zakelijk weergegeven - dat het bestanddeel 'wettelijk voorschrift' in de delictsomschrijving niet kan worden bewezen, nu niet in voldoende mate uit het dossier kan worden opgemaakt dat de geheimhouding (overeenkomstig de artikelen 82 en 86 van de Gemeentewet) is opgelegd door de vertrouwenscommissie tijdens de vergadering. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Ingevolge artikel 82 eerste lid van de Gemeentewet kan de gemeenteraad een raadscommissie instellen. Op grond van (onder meer) dit artikel heeft de raad van [gemeente] op 3 juni 2003 de 'vertrouwenscommissie voor de voorbereiding van de aanbeveling inzake de herbenoeming van de burgemeester' (hierna: de commissie) ingesteld en heeft de 'verordening op de vertrouwenscommissie tot herbenoeming van de burgemeester' (hierna: de verordening) vastgesteld. In artikel 6 lid 1 van die verordening is - voor zover hier van belang - opgenomen: 'De commissie legt in elke vergadering, met toepassing van artikel 86 van de Gemeentewet, geheimhouding op over de inhoud van de stukken en het behandelde tijdens de vergadering (...)'. Artikel 86 van de Gemeentewet bevat een vrijwel gelijkluidende passage op dit punt. Het wettelijk voorschrift op grond waarvan verdachte tot geheimhouding verplicht was betreft in dit geval derhalve artikel 6 van de verordening, gebaseerd op artikel 86 van de Gemeentewet. De verdere praktische uitvoering van dat voorschrift lag zowel volgens de verordening als de wet in de handen van de commissie zelf. De voorzitter van de commissie, [voorzitter], heeft op 29 augustus 2003 onder meer tegenover de politie verklaard dat de commissie bij haar werkwijze de bovengenoemde verordening heeft gehanteerd (bijlage 12 bij proces-verbaal nummer 031016/0221/01). Verder heeft verdachte ter zitting van het hof verklaard dat hij op de hoogte was van de inhoud van de verordening, dat hij zelf bij de totstandkoming daarvan betrokken was geweest en dat hij (dus) wist van de geheimhoudingsplicht. Op grond van het vorenstaande staat voor het hof vast dat sprake was van een wettelijk voorschrift in de zin van 272 Sr op grond waarvan verdachte een geheimhoudingsplicht had. Bewezenverklaring Het hof verklaart ten laste van verdachte bewezen dat: hij op verschillende tijdstippen in de periode van 22 augustus 2003 tot en met 23 augustus 2003, in het arrondissement Assen, enig geheim, waarvan hij wist dat hij uit hoofde van wettelijk voorschrift verplicht was het te bewaren, telkens opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij - op of omstreeks 22 augustus 2003 in interviews met medewerkers van radio- en tv-Drenthe en op of omstreeks 23 augustus 2003 in een interview met een medewerker van het Dagblad van het Noorden inhoudelijke mededelingen omtrent het verloop van de procedure in het kader van de herbenoeming van de burgemeester van [gemeente] gedaan, zijnde feiten die hem alleen als lid van de vertrouwenscommissie bekend konden zijn. Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Kwalificatie Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren opzettelijk schenden, meermalen gepleegd. Strafbaarheid De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zich voor een acuut en onontkoombaar conflict van plichten zag gesteld, namelijk tussen enerzijds het belang de wet niet te overtreden en anderzijds de taak en plicht als gemeenteraadslid voor [politieke partij] om misstanden aan de kaak te stellen. Verdachte zou in dat conflict de juiste keuze hebben gemaakt, zodat verdachte wegens overmacht, in de zin van noodtoestand, dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte heeft gehandeld in een overmachtssituatie. Het hof overweegt hiertoe het volgende. Bij het afwegen van bovengenoemde belangen heeft verdachte een onjuiste keuze gemaakt. Er waren andere mogelijkheden voor verdachte om zijn ongenoegen over het verloop van de herbenoemingsprocedure aan de orde te stellen. Zo had verdachte - overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de eerder genoemde verordening - in het verslag van de commissie blijk kunnen geven van zijn minderheidsstandpunt. Verdachte heeft daarentegen - nadat hij zich had neergelegd bij het meerderheidsstandpunt van de commissie (zo blijkt uit zijn ontslagbrief d.d. 19 augustus 2003, bijlage 19 bij proces-verbaal nummer 031016/0221/01) - de vergadering van de vertrouwenscommissie verlaten. De dag daarop heeft hij - hoewel hij de mogelijkheid had op zijn eerdere standpunt terug te komen - bij brief zijn ontslag ingediend. Daarmee heeft verdachte de mogelijkheden die hij had om van zijn afkeuring van het advies blijk te geven, voor zichzelf afgesloten. Nu verdachte alternatieven had en hij zichzelf in de situatie heeft gebracht waarin hij van die alternatieven geen gebruik meer kon maken, kan niet worden gezegd dat verdachte heeft gehandeld in de door de raadsman gestelde noodtoestand. De raadsman heeft voorts nog verdedigd dat verdachte werd gedreven door een innerlijke drang en de plicht had zijn geweten te volgen. Hij kon niet anders handelen dan zijn geweten hem voorschreef. Er zou sprake zijn van een drang waaraan hij geen weerstand kon bieden. De raadsman heeft aldus een beroep willen doen op psychische overmacht, zo begrijpt het hof. Het hof is van oordeel dat de innerlijke drang onder invloed waarvan verdachte volgens de raadsman zou hebben gehandeld, niet van zodanige aard is geweest dat verdachte daaraan geen weerstand kon bieden. Het hof wijst hierbij ook op hetgeen hiervoor bij de bespreking van het verweer met betrekking tot overmacht als gevolg van een conflict van plichten is overwogen. Het beroep op overmacht wordt derhalve op beide onderdelen verworpen. Het hof acht verdachte strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht. Strafmotivering Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan schending van een geheimhoudingsplicht die hem was opgelegd als lid van de vertrouwenscommissie die advies moest geven over het al dan niet herbenoemen van de burgemeester van de gemeente [gemeente]. Verdachte heeft op 22 en 23 augustus 2003 uitspraken gedaan in de lokale en regionale media. De uitspraken betroffen het verloop van de herbenoemingsprocedure. Verdachte heeft daarmee het algemeen belang en daarnaast het persoonlijk belang van de burgemeester geschonden. De beraadslaging over (her)benoemingen moet immers in beslotenheid plaatsvinden, enerzijds omdat de burgemeester zich - zonder gevaar voor schending van zijn privacy - vrijelijk moet kunnen kandideren voor deze publieke functie, en anderzijds omdat de vertrouwelijkheid van de persoonlijke visie van de aan de vertrouwenscommissie deelnemende gemeenteraadsleden gewaarborgd moet zijn. Het hof is van oordeel dat verdachte er ter zitting blijk van heeft gegeven onvoldoende inzicht te hebben in de hiervoor genoemde belangen die met geheimhouding zijn gediend en dat hij daaraan ten onrechte te weinig waarde toekent. Dit geeft te denken, omdat in het bijzonder van hem als gemeenteraadslid uiterste zorgvuldigheid mocht worden gevergd. Ten voordele van verdachte weegt het hof mee dat uit een uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 22 december 2005 blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Alles afwegende is het hof van oordeel dat aan verdachte een deels voorwaardelijke geldboete van na te noemen hoogte dient te worden opgelegd. Daarbij dient het voorwaardelijke deel van de straf mede om verdachte duidelijk te maken dat hij in de toekomst geheimhoudingsplichten in acht dient te nemen. Het hof ziet geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, aangezien die straf voor verdachte, gelet op de overige omstandigheden van dit geval, te zwaar wordt geacht. Toepassing van wetsartikelen Het hof heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 23 (oud), 24 , 24c, 57 en 272 van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak HET HOF, RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende: verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij; veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van duizend vijfhonderd euro; beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt; beveelt, dat van de geldboete een gedeelte van zevenhonderdvijftig euro, subsidiair vijftien dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. M. Koers-van der Linden en mr. J.J. Beswerda, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.M. Buma als griffier.