Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV5064

Datum uitspraak2006-03-15
Datum gepubliceerd2006-03-15
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200503586/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 9 september 2002 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een berging op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).


Uitspraak

200503586/1. Datum uitspraak: 15 maart 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1.    het college van burgemeester en wethouders van Zederik, 2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 03/421 en AWB 03/422 van de rechtbank Dordrecht van 18 maart 2005 in het geding tussen: 1.    [appellant sub 2] en anderen, 2.    [wederpartij] en appellant sub 1. 1.    Procesverloop Bij besluit van 9 september 2002 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een berging op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluiten van 17 februari 2003, 31 maart en 2 april 2003 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, gegrond verklaard en de bouwvergunning alsnog verleend. Bij uitspraak van 18 maart 2005, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant sub 2 ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en het beroep van [wederpartij] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 14 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2005, en appellant sub 2 bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 10 januari 2006 heeft [wederpartij] die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen een reactie ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2006, waar het college, vertegenwoordigd door J.P. Rombout, ambtenaar van de gemeente, bijgestaan door H.G.J. Scholts, werkzaam bij de Milieudienst Zuid-Holland Zuid, en appellant sub 2 in persoon, bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, juridisch adviseur LTO Noord, zijn verschenen. Voorts is [wederpartij] in persoon, bijgestaan door drs. H.E. Winkelman, juridisch adviseur, gehoord. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Dorp 1969" rust op het perceel de bestemming "Agrarische bebouwing". Aan de op deze bestemming betrekking hebbende planvoorschriften is goedkeuring onthouden. 2.2.    Appellant sub 2 betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan past binnen de bestemming. Daartoe voert hij aan dat ter plaatse geen agrarische bedrijfsactiviteiten worden verricht en niet aannemelijk is dat daarvan binnen een redelijke termijn wel sprake zal zijn, zodat naar verwachting de berging niet overeenkomstig de bestemming zal worden gebruikt. 2.3.    Dit betoog slaagt niet. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld komt aan de betreffende bestemming geen verdere betekenis toe dan dat slechts getoetst mag worden of het bouwplan agrarische doeleinden dient. Verdergaande eisen worden in het bestemmingsplan niet gesteld. Uit de opgave van [wederpartij] bij brief van 26 april 2002 blijkt dat de berging zal worden gebruikt voor de opslag van machines en materialen ten behoeve van het telen van pruimen en kersen op in zijn bezit zijnde, verspreid liggende percelen. Niet aannemelijk is geworden dat de berging voor andere, dan deze agrarische doeleinden zal worden gebruikt. Dat, naar appellant sub 2 stelt, ten tijde van de verlening van de bouwvergunning geen sprake was van een volwaardig agrarisch bedrijf is geen grond de bouwvergunning te weigeren, nu er geen planvoorschriften zijn die een dergelijke eis stellen. Het college heeft zich op grond van de beschikbare gegevens dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de bouwvergunning niet kon worden geweigerd. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. 2.4.    Ingevolge artikel 52 van de Woningwet, voor zover hier van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist.     Ingevolge artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt onder een inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. 2.5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de bouw van de berging kan worden aangemerkt als de verandering van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer waarop het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) van toepassing is, zodat geen milieuvergunning was vereist en daardoor geen verplichting bestond de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning aan te houden.     Appellant sub 2 komt hier tegen op en voert aan dat geen sprake was van een bestand agrarisch bedrijf, maar dat het hier gaat om de oprichting van een nieuwe inrichting waarop het Besluit niet van toepassing is, zodat een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer was vereist.     Het college betoogt in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van de grond gedurende meerdere jaren waardoor inkomsten zijn gegenereerd.     Dit laatste betoog slaagt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de - ook in beroep door het college overgelegde - uitspraak van 7 juli 2004 in zaak no. 200304359/1 is ter plaatse geen sprake van een bestaand agrarisch bedrijf dan wel een voortzetting daarvan. De in de berging voorziene activiteiten van [wederpartij] ten tijde van de beslissing op bezwaar kunnen dan ook niet worden aangemerkt als een bedrijvigheid in de zin van de Wet milieubeheer. In de enkele stelling van appellant sub 2 dat met het oprichten van de berging moet worden uitgegaan van een nieuwe vergunningplichtige inrichting ziet de Afdeling geen aanleiding van dit oordeel af te wijken. Het betoog van appellant sub 2 treft dan ook geen doel. Nu, naar het college met juistheid heeft overwogen en anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ten tijde van de beslissing op bezwaar geen sprake was van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer en reeds daarom geen vergunningplicht ingevolge die wet bestond, was het college niet gehouden de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning aan te houden. Dat laat uiteraard onverlet, dat [wederpartij] ter plaatse niet zonder vergunning op grond van de Wet milieubeheer een inrichting in de zin van die wet mag exploiteren. 2.6.    Het hoger beroep van appellant sub 2 is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. De uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellant sub 2 dient alsnog ongegrond te worden verklaard. 2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Zederik gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 maart 2005, AWB 03/421 en AWB03/422, voor zover die betrekking heeft op het door [appellant sub 2] en anderen ingesteld beroep in zaak no. 03/421; III.    verklaart dat beroep ongegrond; IV.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat. w.g. Polak    w.g. Boermans Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006 429.