
Jurisprudentie
AV5135
Datum uitspraak2006-03-03
Datum gepubliceerd2006-03-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1569 WSF
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-03-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1569 WSF
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering omzetting verleende prestatiebeurs in een gift, berust op een onjuiste grondslag.
Uitspraak
04/1569 WSF
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 31 januari 2003 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van
24 september 2002 waarbij hij met toepassing van artikel 5.16, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) heeft geweigerd de aan haar verleende prestatiebeurs om te zetten in een gift onder overweging dat niet is gebleken dat de daartoe vereiste bijzondere medische omstandigheid van structurele aard aanwezig is.
Bij uitspraak van 11 februari 2004, kenmerk 03/1212 WSFBSF, heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch het beroep van appellante tegen het besluit van 31 januari 2003 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden is door mr. B.H. Vader, advocaat te Oost-Souburg, namens appellante tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 oktober 2005 (met bijlage) heeft gedaagde gereageerd op vanwege de Raad gestelde vragen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 januari 2006. Appellante is niet verschenen. Voor gedaagde is verschenen mr. P.E. Merema, werkzaam bij de IB-Groep.
II. MOTIVERING
Gedaagde is met toepassing van artikel 5.16, tweede lid, van de WSF 2000 na een inhoudelijke beoordeling gekomen tot afwijzing van het door appellante bij brief van 19 februari 2002 bij de Informatie Beheer Groep als uitvoerder van de in die bepaling neergelegde regeling ingediende ”Verzoek om een voorziening prestatiebeurs bij arbeidsongeschiktheid of bijzondere omstandigheden”. Dusdoende heeft gedaagde geweigerd de aan appellante tot 1 mei 2000 (per welke datum zij niet meer studeerde) verleende studiefinanciering om te zetten in een gift.
Evengenoemd artikel is eerst van kracht geworden bij de invoering per 1 september 2000 van de WSF 2000. In de daaraan voorafgegane periode was die voorziening niet geregeld in de tot dan toe van kracht geweest zijnde Wet op de studiefinanciering (WSF), maar wel geregeld in artikel 7.51 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De uitvoering van dit stelsel van afstudeersteun berustte toen bij de besturen van de onderwijs- instellingen. De wetgever heeft bij de invoering van dit stelsel van afstudeersteun uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het niet de bedoeling is dat naast of in plaats van de zojuist bedoelde afstudeersteun toepassing wordt gegeven aan de in
artikel 131 van de WSF neergelegde hardheidsclausule. Het ligt in de rede hieruit af te leiden dat het evenmin de bedoeling van de wetgever is geweest dat naast of in plaats van die afstudeersteun toepassing wordt gegeven aan het sedert
1 september 2000 van kracht zijnde artikel 5.16, tweede lid, van de WSF 2000. In de geschiedenis van de totstandkoming van die wet zijn ook geen aanknopingspunten te vinden die aanleiding tot een andere opvatting kunnen geven.
Aangezien ten aanzien van de evenbedoelde afstudeersteun per 1 september 2000 overgangsrecht ontbreekt, had het verzoek van appellante ten materiële moeten worden beoordeeld naar de gedurende het desbetreffende studiefinancierings- tijdvak geldende voorschriften, te weten artikel 7.51 van de WHW op grond waarvan de uitvoering evenwel berustte bij de besturen van de onderwijsinstellingen, zodat te dien aanzien geen bij of krachtens enige wet geregelde verplichting of bevoegdheid van gedaagde voorlag. Gedaagde heeft in zijn brief van 25 oktober 2005 dan ook terecht gesteld dat het verzoek van appellante had moeten worden afgewezen op grond van het feit dat de WSF 2000 eerst op 1 september 2000 in werking is getreden, op welke moment appellante haar studie reeds had beëindigd.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag, zodat dat besluit, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, zal moeten worden vernietigd. Aangezien de weigering van gedaagde op zichzelf (dat wil zeggen zonder ook te zien naar de gronden waarop is geweigerd) terecht is geweest, bestaat er aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 31 januari 2003 met overeenkomstige toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand te laten.
De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beide instanties. Deze kosten worden begroot op € 322,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- als kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. Aangezien in beide instanties sprake is van een krachtens de Wet op de rechtsbijstand verleende toevoeging, dienen ingevolge het tweede lid van evenvermeld artikel die beide bedragen te worden betaald aan de griffier van de Raad.
De Raad beslist dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 644,--, te betalen door de Informatie Beheer Groep aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 131,-- dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.

