Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV5178

Datum uitspraak2006-03-14
Datum gepubliceerd2006-03-15
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers07.607477-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

klachtvereiste zedendelicten minderjarigen art. 167a WvSv


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Strafkamer te Lelystad Parketnummer: 07/607477-05 Uitspraak: 14 maart 2006 S T R A F V O N N I S in de zaak van het openbaar ministerie tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum en -plaats], wonende te [woonplaats], thans verblijvende in [verblijfplaats]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2006. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.I. Roos, advocaat te Almere. De officier van justitie, mr S.J. Buis, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 2, 3 en 4 primair tenlastegelegde tot: - een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht; - toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partijen] (hoofdelijk) tot een bedrag van respectievelijk € 3.462,20 en € 2.427,15; - telkens toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: (volgt tenlastelegging) De steller van de tenlastelegging heeft in de 4e regel van het subsidiair ten laste gelegde, na de woorden “met dat opzet”, kennelijk verzuimd de woorden in te voegen “tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,”. De rechtbank herstelt deze kennelijke vergissing op grond van het feit dat de steller van de tenlastelegging die woorden zowel in het primair als het meer subsidiair ten laste gelegde uitdrukkelijk wel heeft gebezigd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte – mede gelet op het onderzoek ter terechtzitting, waaruit is gebleken dat het voor verdachte, die werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman, volstrekt duidelijk was waartegen hij zich had te verdedigen - door de toevoeging van voormelde woorden in de tenlastelegging niet in de verdediging is geschaad. De rechtbank nummert de bij dagvaarding met parketnummer 07/607477-05 onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten als 1, 2 en 3. ONTVANKELIJKHEID OPENBAAR MINISTERIE De raadsman heeft ter terechtzitting ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat weliswaar het klachtvereiste is komen te vervallen, doch dat bij de vraag of al dan niet tot vervolging zal worden overgegaan een belangenafweging dient plaats te vinden, gelet op het bepaalde in artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman stelt zich op het standpunt dat een dergelijke belangenafweging niet heeft plaatsgevonden en dat ook overigens niet is voldaan aan het bepaalde in voormeld artikel zodat op grond daarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging. De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de op de zaak betrekking hebbende stukken vast dat de biologische vader van [slachtoffer] op 29 augustus 2005 aangifte heeft gedaan van ontucht welke gepleegd zou zijn met [slachtoffer]. Hij heeft daarin tevens te kennen gegeven dat [slachtoffer] op dat moment achter zijn aangifte stond. Vervolgens is [slachtoffer] nog op diezelfde dag alsmede op 30 augustus 2005 uitgebreid gehoord en is zij in de gelegenheid gesteld haar mening over de vermeende ontucht kenbaar te maken. De rechtbank leidt hieruit af dat is voldaan aan de voorwaarden die de wetgever heeft gesteld om tot vervolging te kunnen overgaan. Na de kennelijke afweging van belangen heeft het openbaar ministerie besloten strafvervolging tegen de verdachte in te stellen. Het verweer wordt derhalve verworpen. Vervolgens heeft de raadsman van verdachte verweer gevoerd inhoudende dat het gelijkheidsbeginsel niet in acht is genomen nu alleen zijn cliënt en diens medeverdachten zijn vervolgd en niet tot vervolging van de personen die eveneens hebben deelgenomen aan de steek-/vechtpartij, is overgegaan. Dit verweer snijdt geen hout reeds op grond van het gegeven dat de officier van justitie ter terechtzitting heeft meegedeeld dat over de vraag of ook die personen zullen worden vervolgd nog geen beslissing is genomen. Het valt dus vooralsnog niet uit te sluiten dat zulks nog zal plaatsvinden. Overigens is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van gelijke gevallen, zeker niet in die zin dat moet worden geoordeeld dat het openbaar ministerie op grond daarvan gehouden zou zijn ook die andere personen te vervolgen, nog afgezien van de vraag wie van die personen de raadsman precies voor ogen heeft. BEWIJS Vast staat dat in de woning van verdachte [naam] op de bewuste avond in elk geval een zevental personen zijn bijeengekomen nadat er problemen ontstonden tussen de familie [naam] en [naam]. Tijdens die bijeenkomst heeft [naam] in het bijzijn van die anderen geroepen dat hij zijn zoon [naam], die het opnam voor de familie [naam], wilde gaan “kappen” en heeft gezegd: “als ik hem straks doodmaak dan neem ik de schuld op mij”. Voorts kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat [naam] (kap)messen heeft uitgedeeld aan de aanwezigen. Verdachte is vervolgens gewapend met een steekwapen met de groep in de auto meegereden naar [adres]. Aldaar is de groep uitgestapt. Vastgesteld kan derhalve worden dat de groep, waarvan verdachte deel uitmaakte, gewapend met steekwapens de confrontatie heeft opgezocht. Vervolgens heeft een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden waarbij een groot aantal personen blijkens de diverse getuigenverklaringen gewelddadige activiteiten hebben ontplooid en tijdens die confrontatie zijn steekverwondingen toegebracht door [naam] bij zijn zoon [naam] en [naam]. Hieruit volgt dat verdachte weliswaar geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, gericht op de dood van de slachtoffers, doch dat hij met zijn mededaders bewust en nauw heeft samengewerkt bij het plegen van het strafbare feit in die zin dat moet worden geconcludeerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. De verdachte dient van het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 3 subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat: (volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding) Van het onder 1 en 3 subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht. STRAFBAARHEID Het bewezene levert op: Feit 1: met iemand, die de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen, die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht. Feit 3 subsidiair: medeplegen van poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287, junctis de artikelen 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten. OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. De rechtbank vindt in dit geval een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bij de bepaling van de strafmaat ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Een van de medeverdachten, te weten de vader van verdachte ([naam]), heeft de bewezenverklaarde uitvoeringshandelingen verricht. De verdachte en zijn mededaders waren van de plannen van [naam] (waaronder zijn voornemen zijn zoon, zoals hij heeft verklaard “te kappen”) op de hoogte en zijn, in het bezit van een wapen, meegegaan naar [adres] en waren bij de uitvoering ervan aanwezig, gewapend met (kap)messen. De rechtbank houdt daar in zoverre rekening mee dat zij oordeelt dat de verdachte een aanzienlijk minder prominente rol heeft gespeeld bij het gepleegde feit dan [naam]. Het is dan ook om die reden dat de rechtbank een aanmerkelijk lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is geëist door de officier van justitie, zal opleggen aan de verdachte. Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met: ? een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 2 februari 2006 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst; ? een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 22 februari 2006, uitgebracht door de Stichting Reclassering Nederland. De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht. Benadeelde partij Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is, gelet op de toelichting bij het toevoegingsformulier en hetgeen de raadsman van de benadeelde partij, mr. J.A.C. van den Brink, ter terechtzitting van 28 februari 2006 naar voren heeft gebracht, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3.462,20, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil. De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar. De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Bij het onderzoek ter terechtzitting is eveneens komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is, gelet op de toelichting bij het toevoegingsformulier genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 2.427,15 vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil. De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar. De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank zal voorts terzake van het subsidiair bewezenverklaarde aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsommen ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffers]. BESLISSING Het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het onder 1 en 3 subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar. Het onder 1 en 3 subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] wonende te [adres] van een bedrag van € 3.462,20, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 3.462,20 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 hechtenis. De rechtbank veroordeelt eveneens de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres] van een bedrag van € 2.427,15, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 2.427,15 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 48 hechtenis. De rechtbank bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. G.J.J.M. Essink en M.A.A. ter Meer-Siebers rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.R. Verstraeten als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2006. Mr. Ter Meer-Siebers voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.