Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV5258

Datum uitspraak2006-03-15
Datum gepubliceerd2006-03-16
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 05/01155
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aanbrengen van zichtdoorlaatbaarheid beperkende folie op ruiten van een bedrijfsauto; Overtreding van art. 5.3.42 Voertuigreglement?; Het hof acht het noodzakelijk dat naar objectieve maatstaven wordt vastgesteld of het uitzciht van de bestuurder als gevolg van het aanbrengen van folie wordt belemmerd. Aansluiting gezocht bij richtlijn EG. De verbalisant stelt dat sinds de richtlijn van de EG van kracht is auto's standaard uit de fabriek komen met een voorruit en overige ruiten waarvan de lichtdoorlaatbaarheid de minimaal vereiste 75 procent respectievelijk 70 procent bedraagt. Derhalve komt men door het aanbrengen van lichtdoorlaatbaarheid beperkende folie op deze ruiten altijd beneden de genoemde eisen uit en wordt als gevolg daarvan het zicht van de bestuurder belemmerd. Het is het hof niet duidelijk waarop de verbalisant zijn stelling baseert. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht. Tussenarrest.


Uitspraak

WAHV 05/01155 15 maart 2006 CJIB 19076109788 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 juli 2005 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zwolle-Lelystad ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 15 oktober 2005 heeft hij het beroepschrift aangevuld en verzocht om een kostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. 3. Beoordeling 3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd van Euro 95,- ter zake van "voorruit/zijruit/windscherm/indien geen recht.buit.spiegel achterruit, voorzien van uitzicht belemmerende voorwerpen", welke gedraging zou zijn verricht op 27 augustus 2004 op de Kiezelweg te Lutten met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 3.2. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 5.3.42 van het Voertuigreglement (hierna: het VR). Dit artikel luidt als volgt: 1. De voorruit en de zijruiten van bedrijfsauto's mogen: a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen, b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. 2. Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit: a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen, b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. 3. Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste lid. 3.3. De gemachtigde, tevens vader van de betrokkene en eigenaar van het betreffende voertuig, ontkent niet dat er een zichtdoorlaatbaarheid beperkende folie op de ruiten van zijn voertuig is aangebracht. Hij ontkent echter dat hierdoor het uitzicht wordt belemmerd. Daartoe heeft hij in hoger beroep een ambtsedige verklaring overgelegd van W.A. Kloek, brigadier Politie regio IJsselland, district Midden. Hij stelt verder dat hij de auto in zijn huidige staat heeft aangeschaft bij een door de BOVAG erkend autobedrijf en dat bij diverse Apk- en verkeerscontroles de getinte ruiten nooit ter sprake zijn geweest. Voorts voert hij aan dat niet dient te worden uitgegaan van de subjectieve waarneming van een verbalisant, maar van de in Europa vereiste waarden met betrekking tot de lichtdoorlaatbaarheid van autoruiten. Hij verwijst daartoe naar richtlijn 92/22/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende veiligheidsruiten en materialen voor ruiten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (hierna: de richtlijn). 3.4. Het in hoofdstuk 3 van het VR, inhoudende de eisen voor toelating tot de weg, opgenomen artikel 3.2.29, eerste lid, luidt: "Personenauto's die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van ruiten die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.". 3.5. De in dit artikel genoemde richtlijn 92/22/EEG is een richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende veiligheidsruiten en materialen voor ruiten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 129). 3.6. De richtlijn bepaalt onder 9.1.4.1 van bijlage II A dat "de gewone lichtdoorlating als gemeten overeenkomstig punt 9.1.2 voor voorruiten niet minder dan 75 % en voor andere ruiten niet minder dan 70 % mag bedragen". 3.7. De ambtsedige verklaring van brigadier Kloek zoals opgenomen het proces-verbaal d.d. 15 oktober 2005 houdt zakelijk weergegeven in dat hij tweemaal, te weten op 31 augustus 2005 en op 14 oktober 2005, heeft geconstateerd dat het zicht vanuit de betreffende auto goed was. 3.8. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het proces-verbaal d.d. 28 juni 2005 houdt onder meer het volgende in: "Tijdens de staandehouding zag ik dat de ruiten van het linker en rechter voorportier voorzien waren van donkere plakfolie. (...) Als men als bestuurder in bedoelde auto plaats neemt wordt het uitzicht belemmerd door deze donkere folie. (...) Auto's komen standaard met 70 en 75 procent uit de fabriek. Dat betekent dat iedere folie de lichtdoorlaatbaarheid in mindere of meerdere mate beperkt.". 3.9. Naar het hof begrijpt stelt de verbalisant zich op het standpunt dat de aangebrachte folie het zicht van de bestuurder belemmert wanneer als gevolg daarvan de lichtdoorlaatbaarheid van de ruiten beneden de door de richtlijn minimaal vereiste waarden uitkomt. Voorts stelt hij - naar het hof begrijpt - dat, sinds de richtlijn van kracht is, auto's standaard uit de fabriek komen met een voorruit en overige ruiten waarvan de lichtdoorlaatbaarheid de minimaal vereiste 75 procent respectievelijk 70 procent bedraagt. Derhalve komt men door het na aanschaf aanbrengen van lichtdoorlaatbaarheid beperkende folie op deze ruiten altijd beneden de genoemde minimumeisen uit en wordt als gevolg daarvan het zicht van de bestuurder belemmerd. 3.10. Vooropgesteld moet worden dat het aanbrengen van lichtdoorlaatbaarheid beperkende folie op de ruiten van een auto slechts een overtreding van artikel 5.3.42 van het VR oplevert indien als gevolg daarvan het uitzicht van de bestuurder wordt belemmerd. Het hof acht het noodzakelijk dat naar objectieve maatstaven wordt vastgesteld of daarvan sprake is. Naar het oordeel van het hof vormen de eisen die de richtlijn stelt aan de lichtdoorlaatbaarheid van de ruiten van motorvoertuigen daartoe een goed aanknopingspunt, aangezien ook deze beogen te waarborgen dat de bestuurder vanuit het voertuig voldoende zicht heeft. 3.11. Het hof is daarom van oordeel dat de op de autoruiten aangebrachte folie het zicht van de bestuurder belemmert indien als gevolg daarvan: - de lichtdoorlaatbaarheid van de voorruit minder dan 75 procent bedraagt en/of - de lichtdoorlaatbaarheid van een zijruit minder dan 70 procent bedraagt en/of - de lichtdoorlaatbaarheid van de achterruit minder dan 70 procent bedraagt, terwijl de auto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel. 3.12. Het hof acht zich thans onvoldoende voorgelicht. Voor de beoordeling van het hoger beroep is nadere informatie nodig omtrent de volgende vraag: Waarop baseert de verbalisant zijn stelling dat auto's standaard uit de fabriek komen met een voorruit en overige ruiten waarvan de lichtdoorlaatbaarheid 75 procent respectievelijk 70 procent bedraagt? Is deze stelling juist? Geldt in het bijzonder met betrekking tot het merk en type van het voertuig met het kenteken [kenteken] dat bij de ingebruikname de ruiten aan niet meer dan de minimum voorgeschreven waarden van lichtdoorlating voldeden? 3.13. Het hof zal de advocaat-generaal opdragen de gevraagde informatie binnen vier weken na de datum van dit arrest in het geding te brengen. 4. De beslissing Het gerechtshof: draagt de advocaat-generaal op de gevraagde informatie binnen vier weken na de datum van dit arrest in het geding te brengen; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.