Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV5898

Datum uitspraak2006-03-09
Datum gepubliceerd2006-03-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3692 CSV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Naheffing. Aandelen overdracht. Voormalig directeur grootaandeelhouder tegen vergoeding werkzaam voor B.V. . Is er sprake van privaatrechtelijke arbeidsverhouding? Loonbetaling?


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/3692 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen [appellante] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. ?. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 18 mei 2005 onder kenmerk 04/1224 tussen partijen gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft hierop bij brief van 3 augustus 2005 gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari 2006, waar namens appellante is verschenen haar directeur-grootaandeelhouder [n[naam 1] en haar voormalig directeur-grootaandeelhouder [na[naam 2], terwijl gedaagde zoals tevoren schriftelijk bericht niet is verschenen. ??. MOTIVERING Gedaagde heeft bij appellante die zich bezig houdt met assurantiebemiddeling, premies voor de sociale werknemersverzekeringen nageheven over de door haar in de jaren 2001 en 2002 verrichte betalingen aan voormalig oprichter en directeur-grootaandeelhouder van appellante [na[naam 2] (hierna: [naam 2]). Laatstgenoemde heeft met ingang van 29 december 2000 zijn aandelen overgedragen aan [n[naam 1] (hierna: [naam 1]) en is op basis van een financiële vergoedingsovereenkomst tussen zijn vennootschap [naam 2] Holding B.V en appellante voor haar werkzaam. Tevens heeft gedaagde appellante boetenota's opgelegd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gedaagde gevolgd in zijn opvatting dat de arbeidsverhouding tussen appellante en [naam 2] moet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Naar haar oordeel wordt aan alle hiervoor geldende voorwaarden voldaan. Op grond van de financiële vergoedingsovereenkomst en het daarbij behorende supplement acht de rechtbank onmiskenbaar sprake van een persoonlijke arbeidsverrichting en betaling van loon. Met betrekking tot het bestaan van de gezagsverhouding heeft zij in het bijzonder in aanmerking genomen dat de feitelijke en juridische zeggenschap over appellante door de volledige aandelenoverdracht niet langer bij [naam 2] maar bij [naam 1] is komen te berusten. In aanmerking nemende dat de werkzaamheden die [naam 2] als assurantiebemiddelaar is blijven verrichten, deel uitmaken van de reguliere activiteiten van appellante, terwijl die werkzaamheden ingekaderd zijn in de bedrijfsvoering en daarvan een essentieel onderdeel vormen, is het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat iedere vorm van gezag afwezig is. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Niet is betwist dat [naam 2] gehouden was zijn werkzaamheden persoonlijk te verrichten. Ten aanzien van de maandelijks door [naam 2] te ontvangen vergoeding is de Raad van oordeel dat deze niet anders kan worden beschouwd als een contraprestatie voor het verrichten van arbeid voor appellante. Dat [naam 2] werd betaald op basis van een factuur van Wil [naam 2] Holding B.V., ontneemt aan de verrichte betalingen niet het karakter van loonbetalingen. Met betrekking tot de gezagsverhouding is de Raad met de rechtbank van oordeel dat met het feit dat [naam 1] als directeur-grootaandeelhouder de zeggenschap over appellante heeft, diens gezag over [naam 2] in beginsel gegeven is. Daarbij in aanmerking genomen dat de werkzaamheden werden verricht vanuit het pand van appellante en een wezenlijk onderdeel vormden van de bedrijfsvoering van appellante, acht de Raad het niet aannemelijk dat enige mogelijkheid tot het uitoefenen van gezag ontbreekt. Bij het voorgaande tekent de Raad aan dat verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat en dat de bedoeling van partijen daarbij niet doorslaggevend is. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. ???. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006. (get.) G. van der Wiel. (get.) A. Kovács.