
Jurisprudentie
AV6575
Datum uitspraak2006-03-16
Datum gepubliceerd2006-03-24
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200500990
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-03-24
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200500990
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vaststelling van de behoefte van een minderjarige, die nimmer in gezinsverband met zijn (biologische) vader heeft samengeleefd.
Het feit dat de vader nimmer met de vrouw en het uit hun relatie geboren kind in gezinsverband heeft samengeleefd, staat er niet aan in de weg dat bij de bepaling van de behoefte van het kind de financiële middelen van de vader mede in aanmerking moeten worden genomen.
Aan het wettelijke systeem ligt immers het uitgangspunt ten grondslag dat zowel de vader als de moeder aan de verzorging en opvoeding van het kind moet bijdragen. Aan dit uitgangspunt zou tekort worden gedaan, indien voor de bepaling van de behoefte van het kind slechts de kosten in aanmerking zouden worden genomen, die de moeder voor dat kind heeft gemaakt in een periode waarin zij nog niet kon beschikken over een door de man betaalde onderhoudsbijdrage voor het kind.
(zie ook HR 27-2-2004, NJ 2004, 283).
Uitspraak
RJH
16 maart 2006
Rekestenkamer
Rekestnummer R200500990
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Beschikking
In de zaak in hoger beroep van:
[Naam appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
de man,
procureur mr. G.T.M. Evers,
t e g e n
[naam geintimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
de vrouw,
procureur mr. T. Peters.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 juli 2005, waarvan de inhoud bij hen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 september 2005, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen, de behoefte van het kind van partijen te bepalen op grond van het gezinsinkomen van de vrouw en de aan de man opgelegde onderhoudsbijdrage voor dat kind te laten ingaan met ingang van 5 april 2005, danwel met ingang van 11 augustus 2004, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep.
2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2005, heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties overgelegd bij beroepschrift;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van deze zaak bij voornoemde rechtbank van 6 juni 2005;
- de brief met bijlage van de procureur van de man van 1 februari 2006.
2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
4.2. Vast is komen te staan dat uit de relatie van partijen een kind is geboren, genaamd:
- [naam minderjarige zoon] op [geboortejaar].
Het gezag over dit kind wordt uitgeoefend door de vrouw.
4.3. Bij haar op 11 augustus 2004 gedateerd verzoekschrift heeft de vrouw - zakelijk weergegeven - voornoemde rechtbank onder meer verzocht het vaderschap van de man van voornoemd kind vast te stellen, zonodig door middel van een DNA-onderzoek, en zo het vaderschap van de man van voornoemde minderjarige is vastgesteld te bepalen dat de man een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige zoon] dient te betalen van E. 650,-- per maand met ingang van 4 februari 2004, althans met ingang van een in goede justitie door de rechtbank vast te stellen datum.
4.4. Bij beschikking van de rechtbank van 4 april 2005 is vastgesteld dat de man de vader is van voornoemde minderjarige.
4.5. Bij beschikking van 4 juli 2005 is de door de man voor [minderjarige zoon] te betalen alimentatie vastgesteld op E. 414,-- per maand met ingang van 4 februari 2004.
Tegen die beslissing is de man opgekomen.
Behoefte
4.6. De man heeft de door de rechtbank bepaalde behoefte van [minderjarige zoon] aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betwist.
De man heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat hij nimmer met [minderjarige zoon] in gezinsverband heeft samen- geleefd en dat voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige zoon], die uitsluitend opgroeit dan wel is opgegroeid in het gezin van de vrouw, dient te worden uitgegaan van het (gezins)inkomen van de vrouw.
Voorts heeft de man onder aanhaling van de Hoge Raad (HR 27-2-2004, NJ 2004, 283) betoogd dat, indien bepaalde kosten niet voor het kind worden gemaakt, terwijl ze in de fictief aangenomen opvoedingssituatie in het gezin van de vader waar- schijnlijk wel zouden worden gemaakt, bij de bepaling van de behoefte niet mogen worden meegenomen.
Ter zitting heeft de man zijn betoog nader onderbouwd door te stellen dat zijn stelling steun vindt in de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 september 2005 (LJN: AU5186).
4.7. Het hof is van oordeel, dat de zojuist weergegeven stelling van de man berust op een verkeerde lezing van de door hem aangehaalde uitspraak, zodat die stelling faalt.
Immers, de rechtbank Den Haag heeft uitsluitend op basis van de specifieke omstandigheden van de aan haar voorgelegde zaak géén aanknopingspunten aanwezig geacht om de kosten van verzorging en opvoeding van het litigieuze kind op een hoger peil te brengen dan bij de levensomstandigheden van de vrouw past en deze worden met name bepaald door het inkomen van de vrouw. Die rechtbank heeft de volgende specifieke omstandigheden genoemd:
- partijen hebben in de jaren na de geboorte, op een enkele ontmoeting na, geen contact gehad;
- de vrouw heeft de man eerst na jaren op de hoogte gebracht van het feit dat hij een zoon heeft;
- de vrouw heeft eerst ná 16 jaar zijdens de man een onderhoudsbijdrage gevraagd.
De onderhavige zaak komt niet overeen met de zojuist vermelde specifieke omstandigheden, zodat aan de stelling van de man kan worden voorbijgegaan.
4.8. In het onderhavige geval zal het hof voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige zoon] mede uitgaan van het inkomen van de man. Het feit dat de man nimmer met de vrouw en [minderjarige zoon] in gezinsverband heeft samen- geleefd, staat er niet aan in de weg dat bij de bepaling van de behoefte van [minderjarige zoon] de financiële middelen van de man mede in aanmerking moeten worden genomen.
Aan het wettelijke systeem ligt immers het uitgangspunt ten grondslag dat zowel de vader als de moeder aan de verzorging en opoeding van het kind moet bijdragen. Aan dit uitgangspunt zou - naar het oordeel van het hof - tekort worden gedaan, indien voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige zoon] slechts de kosten in aanmerking zouden worden genomen, die de vrouw voor [minderjarige zoon] heeft gemaakt in een periode waarin zij nog niet kon beschikken over een door de man betaalde onderhoudsbijdrage voor [minderjarige zoon].
Voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige zoon] gaat het hof er dus van uit dat de man in beginsel moet bijdragen in de kosten van [minderjarige zoon] met een bedrag dat hij aan [minderjarige zoon] zou hebben besteed als [minderjarige zoon] in zijn gezin zou opgroeien.
Op zich zelf is het verweer van de man juist dat bepaalde kosten die niet voor het kind worden gemaakt, terwijl die in de fictief aangenomen opvoedingssituatie bij de vader waarschijnlijk wel zouden zijn gemaakt, bij de bepaling van de behoefte niet mogen worden meegerekend. Het gaat hier echter om een eerste behoeftebepaling. De omvang van de voor het kind gemaakte kosten is derhalve in het verleden uitsluitend bepaald door wat de vrouw aan [minderjarige zoon] heeft kunnen besteden zonder nog over een bijdrage van de man te kunnen beschikken. Daarom zal het hof de behoefte van [minderjarige zoon] schatten aan de hand van de TREMA-normen. Daarin is rekening gehouden met de leeftijd van het kind, waarvan de behoefte wordt vastgesteld (vgl. HR 27-2-2004, NJ 2004, 283).
4.9. In de bestreden beschikking is onweersproken neergelegd, dat het netto besteedbaar inkomen van de man circa
E. 2.622,-- per maand bedraagt en van de vrouw circa E. 1.180,-- per maand.
Op basis van het aldus te vormen gezinsinkomen en mede in aanmerking nemende het geboortejaar van [minderjarige zoon] en met lineaire doortrekking van de in dat jaar van toepassing zijnde TREMA normen voor de vaststelling van het eigen aandeel kosten van kinderen, kan - de wettelijke indexering vanaf 2005 daarbij betrekkend - de behoefte van [minderjarige zoon] worden becijferd op het - ná wijziging ter zitting van de rechtbank - door de vrouw van de man verlangde bedrag van
E. 591,-- per maand.
4.9.1. De eerste grief van de man treft dan ook geen doel.
Draagkracht
4.10. De man heeft zijn draagkracht tot het betalen van de door de rechtbank aan hem opgelegde onderhoudsbijdrage voor [minderjarige zoon] van E. 414,-- per maand niet betwist.
Ingangsdatum van de kinderalimentatie
4.11. De rechtbank heeft de alimentatieverplichting van de man jegens [minderjarige zoon] laten ingaan op 4 februari 2004, zijnde de geboortedatum van [minderjarige zoon].
4.11.1. De man is van mening dat die onderhoudsverplichting dient in te gaan op 5 april 2005, zijnde de datum waarop de rechtbank in rechte het vaderschap van de man heeft vastgesteld, danwel op 11 augustus 2004, zijnde de datum van het inleidende verzoekschrift van de vrouw.
4.12. Het hof is van oordeel, dat de man, toen hij kennis nam van het verzoek van de vrouw van 11 augustus 2004 tot vaststelling van kinderalimentatie, er mee rekening heeft moeten houden dat de rechter het verzoek van de vrouw geheel of gedeeltelijk zou kunnen honoreren, zodat hij pas vanaf die datum - in financieel opzicht - maatregelen heeft kunnen en moeten nemen. Die datum neemt het hof ten deze tot uitgangspunt.
4.12.1. Weliswaar heeft de vrouw niet voldoende weersproken gesteld, dat zij ultimo 2003 en derhalve vóór de geboorte van [minderjarige zoon] de man heeft gewezen op zijn toekomstige onderhoudsverplichting, maar vast is komen te staan dat zij destijds de man niet heeft geconfronteerd met een door haar expliciet van hem verlangde onderhoudsbijdrage, zodat van hem niet verwacht kon worden toen reeds zijn financiële situatie aan te passen.
De omstandigheid dat de raadsman van de vrouw heeft gesteld dat hij bij brief van 19 april 2004 aan de man - ter vast- stelling van kinderalimentatie - om financiële gegevens heeft gevraagd, acht het hof evenmin een omstandigheid om de alimentatieverplichting van de man te laten ingaan te laten ingaan op 4 februari 2004.
Bovendien heeft de raadsman van de vrouw ter zitting erkend, dat eerst bij de indiening van het inleidende verzoek een exact omschreven bedrag aan kinderalimentatie van de man is gevraagd.
4.13. Ter zitting van het hof is gebleken, dat de man volledig aan de door de rechtbank aan hem opgelegde onderhouds- bijdrage jegens [minderjarige zoon] heeft vol[minderjarige zoon].
4.13.1. Hetgeen zojuist met betrekking tot de ingangsdatum van de opgelegde onderhoudsbijdrage is overwogen leidt ertoe dat vast staat dat de man teveel aan kinderalimentatie voor [minderjarige zoon] heeft betaald.
4.14. Gelet op het feit dat de vrouw over onvoldoende middelen beschikt om het bedrag dat zij teveel van de man voor [minderjarige zoon] heeft ontvangen aan de man terug te betalen, acht het hof het redelijk, dat de man het bedrag dat hij teveel aan de vrouw heeft betaald met de toekomstige alimentatietermijnen mag verrekenen met ten hoogste E. 200,-- per maand.
Proceskosten.
4.14. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu deze procedure betrekking heeft op een onderhoudsverplichting van de man jegens het minderjarige kind van partijen.
5. De beslissing
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch, doch uitsluitend voor wat betreft de ingangsdatum van de door de man op E. 414,-- per maand vastgestelde kinderalimentatie voor [minderjarige zoon], geboren op [geboortejaar];
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man even genoemde onderhoudsbijdrage voor [minderjarige zoon] dient te betalen met ingang van 11 augustus 2004;
bepaalt voorts, dat de man het bedrag dat hij op grond van deze beschikking teveel aan kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald, met de toekomstige alimentatietermijnen mag verrekenen met ten hoogste E. 200,-- per maand;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs Draijer-Udo, Smeenk-van der Weijden en Schyns, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 maart 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

