
Jurisprudentie
AV7576
Datum uitspraak2006-03-28
Datum gepubliceerd2006-03-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5198 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-03-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5198 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering. Hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege ontbreken procesbelang.
Uitspraak
05/5198 WAO (rectificatie)
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.M. van Daalhuizen op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
11 juli 2005, reg.nr. WAO 03/2746-WILD.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd het rapport van de bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman van 8 september 2005.
De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 8 februari 2006 zijn standpunt nader toegelicht.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op
14 februari 2006, waar partijen – met kennisgeving – niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De in rubriek I vermelde uitspraak van de rechtbank strekt tot ongegrondverklaring van het beroep van appellant tegen het besluit van gedaagde van 1 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit). Gedaagde verklaarde bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 29 november 2002, waarbij de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 22 december 2002 werd ingetrokken. Volgens gedaagde was geen sprake van een met toepassing van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het maken van bezwaar door appellant.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift onder verwijzing naar het in rubriek I vermelde rapport van Hofman aangegeven dat in de bezwaarprocedure het ziektebeeld van appellant is onderschat en dat appellant het voordeel van de twijfel dient te krijgen. Volgens Hofman kan immers, gelet op het ziektebeeld van appellant, niet met zekerheid worden gezegd dat appellant in staat was om binnen 6 weken bezwaar te maken dan wel iemand in te schakelen om zijn belangen te behartigen.
De gemachtigde van appellant heeft op 8 februari 2006 de mededeling van gedaagde op 20 januari 2006 bevestigd dat gedaagde inmiddels de bezwaarprocedure heeft heropend en het bezwaarschrift alsnog in behandeling heeft genomen. Volgens de gemachtigde van appellant is daarmee het beoogde doel van het hoger beroep bereikt en is er in die zin geen belang meer bij de boordeling van het hoger beroep.
De Raad is met de gemachtigde van appellant van oordeel dat appellant, gelet op de feitelijke gang van zaken na het instellen van zijn hoger beroep, geen belang meer heeft bij een uitspraak van de Raad op zijn hoger beroep, zodat zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad acht, mede gelet op het rapport van Hofman en de brief van gedaagde van 20 januari 2006, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,=.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 134,= vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor als voorzitter en mr. M.C. Bruning en
mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.S.G. Staal.
MH

