Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV7815

Datum uitspraak2006-03-16
Datum gepubliceerd2006-03-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4254 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herberekening WUV-uitkering vanwege AOW-pensioen en met inkomsten uit “Age Pension” van Centrelink. Verrekening.


Uitspraak

05/4254 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats] (Australië), eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verweerster heeft onder dagtekening 30 maart 2005, kenmerk JZ/U80/2005/0135, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiseres op de in het beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 februari 2006, waar eiseres niet is verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Aan eiseres, geboren in 1937, is bij besluit van 25 maart 2003 ingaande 1 februari 2003 een periodieke uitkering toegekend als weduwe van een vervolgde. Bij berekeningsbeschikking van 30 november 2004, zoals toegelicht bij nader bericht van 29 november 2004 en na daartegen gemaakt bezwaar aangepast bij het bestreden besluit, heeft verweerster de uitkering van eiseres vanaf 1 februari 2003 met toepassing van artikel 59a, tweede lid, van de Wet herberekend. Verweerster heeft daarbij alsnog rekening gehouden met het gegeven dat eiseres een AOW-pensioen ontvangt, een feit waarvan verweerster eerder niet op de hoogte was, en met het gegeven dat de inkomsten van eiseres uit haar “Age Pension” van Centrelink hoger geweest zijn dan verweerster had aangenomen. Verweerster heeft voorts, nadat in december 2004 de uitkering van eiseres over 2003 definitief was berekend, vastgesteld dat het als gevolg van het vorenstaande te veel uitgekeerde bedrag niet zoals bij de aanvankelijke berekeningsbeslissing van 30 november 2004 was aangenomen € 3.722,23 bedraagt maar € 4.052,99. Verweerster heeft besloten ingaande februari 2005 ter verrekening van het teveel betaalde bedrag maandelijks een bedrag van € 100,76 (in plaats van het aanvankelijk genoemde gedrag van € 77, 55) bruto op de uitkering in te houden. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Niet in geschil is dat verweerster ingevolge artikel 19 van de Wet het ouderdomspensioen dat eiseres op grond van de AOW ontvangt in mindering dient te brengen op de uitkering en dat de bedragen waarvan verweerster bij de berekening van de uitkering van eiseres is uitgegaan op zich juist zijn. Eiseres heeft bezwaar tegen de hoogte van het maandelijks in te houden bedrag en vraagt zich af of wel een juiste wisselkoers wordt gehanteerd. Verweerster heeft de maandelijkse verrekening van het teveel door eiseres ontvangene bepaald op 10% van de maandelijkse bruto uitkering opdat, zo blijkt uit de stukken, het teveel uitgekeerde bedrag daarmee binnen 3,3 jaar zal zijn afgelost. Verlaging van de maandelijkse inhouding zou er toe leiden, aldus verweerster, dat het teveel uitgekeerde bedrag, de hoogte daarvan in aanmerking genomen, niet binnen een redelijke termijn zou worden vereffend. Naar ter zitting namens verweerster is meegedeeld, is een inhouding van 10% van de maandelijkse bruto uitkering gedurende een periode van drie jaar de door verweerster in deze gehanteerde maatstaf, maar kan daarvan zowel wat de periode als de hoogte van het percentage betreft worden afgeweken indien het te vereffenen bedrag daarvoor te hoog is of als door de betrokkene wordt aangegeven dat het resterende inkomen zo laag wordt dat hij redelijkerwijs niet meer in zijn bestaan kan voorzien. De Raad acht deze handelwijze van verweerster, mede gelet op het feit dat artikel 59a, tweede lid, van de Wet verweerster verplicht tot het terugvorderen of verrekenen van hetgeen te veel werd uitbetaald, niet onredelijk. Van de kant van eiseres is noch in bezwaar noch in beroep aangevoerd dat de hoogte van het in te houden bedrag het haar onmogelijk zou maken nog in haar levensonderhoud te voorzien. Met betrekking tot de door verweerster gehanteerde omrekenkoersen van Euro naar Australische dollar en vice-versa heeft de gemachtigde van verweerster ter zitting aangegeven dat die jaarlijks voor de periode van juli tot juli worden vastgesteld. Ten tijde van de hernieuwde vaststelling kan dit aanleiding geven tot een wijziging van de berekende en uitgekeerde uitkering. Van het hanteren van een onjuiste koers is de Raad niet gebleken. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het door eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een der partijen te veroordelen in de proceskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond; Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Koerts als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) R.E. Koerts. HD 27.02