Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX1337

Datum uitspraak2006-05-02
Datum gepubliceerd2006-05-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3018 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Arbeidsverplichtingen in werkpolis afgestemd op persoonlijke situatie. Is werkpolis besluit? Is voorbehoud bij ondertekening werkpolis aan te merken als bezwaar? Termijnoverschrijding.


Uitspraak

05/3018 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 april 2005, 05/826 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] (hierna: College), Datum uitspraak: 2 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft G. Szakály, werkzaam bij de Stichting Juridische EHBO te [woonplaats], hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Voor appellant is daar verschenen G. Szakály. Het College heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente [woonplaats]. II. OVERWEGINGEN Met betrekking tot de feiten wordt het volgende overwogen. Appellant was bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Teneinde de arbeidsinschakeling van appellant te bewerkstelligen heeft de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [woonplaats] in overleg met appellant een zogeheten werkpolis opgesteld. Het College heeft appellant de polis bij brief van 19 oktober 2004 ter ondertekening toegezonden. De voor appellant ingevolge artikel 9 van de Wet werk en bijstand (WWB) geldende arbeidsverplichtingen zijn in de werkpolis afgestemd op zijn persoonlijke situatie. De afstemming houdt in dat, aangezien appellant had aangegeven zelfstandig te willen solliciteren, hij nog tot 18 november 2004 de tijd zou krijgen om op eigen kracht werk te vinden. Wanneer dat op die datum niet gelukt mocht zijn, zou hij door Alexander Calder worden uitgenodigd voor een motivatietraining gericht op het zo snel mogelijk vinden van regulier werk voor ongeveer 38 uur per week. Het College heeft op 28 oktober 2004 aan appellant toegezonden een besluit tot voortzetting van de bijstandsuitkering van appellant. Appellant heeft de werkpolis voor akkoord ondertekend en op 25 oktober 2004 aan het College geretourneerd. Daarbij heeft hij een voorbehoud gemaakt met betrekking tot het aantal uren per week dat hij zou moeten gaan werken. Voorts heeft hij te kennen gegeven dat hij de in de polis gegeven schets van zijn situatie stigmatiserend vindt. Namens appellant is bij brief van 16 maart 2005 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen de werkpolis. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de in de brief van 19 oktober 2004 opgenomen werkpolis niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daartegen noch bezwaar kan worden gemaakt, noch beroep kan worden ingesteld. Deze polis is naar haar oordeel niet op zelfstandig rechtsgevolg gericht aangezien de daarin opgenomen verplichtingen hun grondslag rechtstreeks vinden in de WWB. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Aangevoerd is dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door zich te begeven in de vraag of de werkpolis als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. Aan de rechtbank is alleen de vraag voorgelegd of het College tijdig op het bezwaar van appellant van 25 oktober 2004 heeft beslist. Appellant stelt zich op het standpunt dat de kanttekeningen die hij op 25 oktober 2004 bij de ondertekening van de polis heeft geplaatst moeten worden aangemerkt als het maken van bezwaar tegen die polis nu aan alle vereisten voor het maken van bezwaar is voldaan. Tenslotte is door appellant aangevoerd dat de werkpolis als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb moet worden beschouwd nu hij de daarin neergelegde verplichtingen voor akkoord moet ondertekenen. Weigert hij te ondertekenen dan wacht hem een sanctie. Houdt hij zich niet aan de verplichtingen dan wacht hem eenzelfde lot. Het College stelt zich op het standpunt dat de werkpolis niet als een besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, kan worden aangemerkt nu deze niet op zelfstandig rechtsgevolg is gericht. De daarin opgenomen verplichtingen vloeien rechtstreeks voort uit de WWB. Voorts is aangevoerd dat geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar nu het plaatsen van opmerkingen op de werkpolis, niet kan worden aangemerkt als het maken van bezwaar tegen een besluit. De Raad overweegt het volgende. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Blijkens artikel 6:2 van de Awb, voor zover hier van belang, wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk gesteld. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Op grond van artikel 7:1 van de Awb, dient, behoudens hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen, degene aan wie het recht is toegekend om beroep in te stellen, eerst bezwaar te maken. Tegen de beslissing op het bezwaar kan vervolgens beroep worden ingesteld. Artikel 1:5, eerste lid, van de Awb verstaat onder het maken van bezwaar: het gebruik maken van de (…) bevoegdheid om tegen een besluit voorziening te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit genomen heeft. Volgens artikel 6:4, eerste lid, van de Awb geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit genomen heeft. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, wordt het bezwaarschrift ondertekend en bevat het ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het gericht is en de gronden van het bezwaar. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Indien het bezwaar of beroep gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het volgens artikel 6:12, eerste lid, van de Awb niet aan een termijn gebonden. Op grond van artikel 6:10 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een voor de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand gekomen was, of nog niet tot stand gekomen was maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. De Raad is op grond van de tekst van de brief van het College van 19 oktober 2004 alsmede die van het besluit van 28 oktober 2004, bezien in het licht van de daarop ter zitting van de Raad door de gemachtigde van het College gegeven toelichting, van oordeel dat de ondertekende werkpolis geacht moet worden integraal deel uit te maken van het besluit van 28 oktober 2004. Eerst tegen dat besluit stond derhalve het rechtsmiddel van bezwaar open, ook voorzover daarin is beslist over de reïntegratie van appellant. Hierin ligt besloten dat op 25 oktober 2004 niet de mogelijkheid open stond om separaat bezwaar te maken tegen de werkpolis van 19 oktober 2004. De Raad voegt daaraan nog toe dat op 25 oktober 2004 evenmin op grond van artikel 6:10 van de Awb bezwaar kon worden gemaakt tegen het besluit van 28 oktober 2004 omdat dit besluit toen nog niet genomen was en appellant evenmin redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. De Raad overweegt in dit verband dat met de beslissing van het College over de aan de bijstand te verlenen voorwaarden, gelet op de onderscheiden beoordelingsmaatstaven, niet geacht kan worden tevens te zijn beslist over de toekenning of voortzetting van het recht op bijstand zelf. De Raad is verder van oordeel dat het door appellant bij de ondertekening van de werkpolis op datzelfde blad vermelde voorbehoud niet kan worden aangemerkt als het maken van bezwaar. Weliswaar blijkt daaruit dat appellant zich niet geheel met de inhoud van de polis kon verenigen, maar gegeven het feit dat appellant door middel van de ondertekening van die polis te kennen heeft gegeven bereid te zijn aan de uitvoering ervan mee te werken, kan aan dat voorbehoud in het onderhavige geval niet de betekenis worden gehecht dat appellant daarmee beoogd heeft bezwaar te maken als bedoeld in artikel 7:1 van de Awb. Hieruit volgt dat ten tijde van het instellen van het beroep bij de rechtbank geen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit op een gemaakt bezwaar. Dit betekent dat de rechtbank het bij haar aanhangig gemaakte beroep op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift tegen het besluit van 28 oktober 2004 had moeten doorzenden naar het College. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. Aangezien eerst op 16 maart 2005 beroep is ingesteld bij de rechtbank acht de Raad termen aanwezig om zelf in de zaak te voorzien. Hij zal het op 16 maart 2005 gemaakte bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2004 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaren. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond van waarvan moet worden geoordeeld dat appellant bij het maken van zijn bezwaar niet in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2006. (get.) R.M. van Male. (get.) L. Jörg