
Jurisprudentie
AX3251
Datum uitspraak2006-05-11
Datum gepubliceerd2006-05-23
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2258 AW + 05/5227 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-05-23
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2258 AW + 05/5227 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ontvreemding kantoormeubilair. Strafontslag.
Uitspraak
05/2258 AW + 05/5227 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid (hierna: de Korpsbeheerder),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 maart 2005, nr. 04/1385 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
de Korpsbeheerder
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
Datum uitspraak: 11 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens de Korpsbeheerder heeft mr. L.S. van Loon, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft mr. Van Loon namens de Korpsbeheerder een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 24 mei 2005, nr. 05/2369 AW-VV, heeft de voorzieningenrechter van de Raad dit verzoek afgewezen.
Vervolgens heeft de Korpsbeheerder op 25 juli 2005 een nader besluit op bezwaar genomen.
Namens betrokkene heeft mr. J.K.M. Hensels, advocaat te Vaals, een verweerschrift ingediend, alsmede beroepsgronden tegen het nieuwe besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006. De Korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Loon en door W.L.A. Maas, werkzaam bij de politieregio Limburg Zuid. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. Hensels.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene, geboren in 1953, was brigadier van politie en werkzaam in een politiebureau te Geleen. In de avond van 24 september 2003 heeft hij uit dit politiebureau een kluis en twee stoelen mee naar huis genomen. Enkele dagen later ontstond opschudding omdat een collega, genaamd S., een kopieerapparaat van het politiekorps mee naar huis bleek te hebben genomen. Betrokkene heeft toen zijn lijnchef M. medegedeeld dat ook hij spullen van de politie thuis had staan. Naar aanleiding hiervan heeft de Korpsbeheerder een onderzoek doen instellen door het Bureau Interne Zaken van het korps.
1.2. Bij besluit van 2 februari 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 augustus 2004 (hierna: bestreden besluit), heeft de Korpsbeheerder betrokkene bij wijze van disciplinaire straf ontslagen.
1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de Korpsbeheerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk was gemotiveerd waarom het onvoorwaardelijke strafontslag evenredig is aan het verweten plichtsverzuim.
1.4. Nadat zijn verzoek om voorlopige voorziening was afgewezen, heeft de Korpsbeheerder bij het nieuwe besluit van 25 juli 2005 het strafontslag nader gemotiveerd en het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit wordt op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding betrokken.
2. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.
2.1. In het nadere besluit van 25 juli 2005 heeft de Korpsbeheerder onder meer het volgende overwogen: "Alhoewel ik tegen [de aangevallen] uitspraak reeds beroep had ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep heb ik - mede gezien de overwegingen van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 24 mei 2005 - alsnog besloten in de overwegingen van de rechtbank te berusten en het gestelde motiveringsgebrek in een nieuwe beslissing op bezwaar te helen. Derhalve bericht ik u als volgt".
2.2. De Raad is met betrokkene van oordeel dat deze mededeling aan betrokkene redelijkerwijs niet anders kan worden opgevat dan dat de Korpsbeheerder zich definitief bij de aangevallen uitspraak heeft neergelegd, zodat daarover tussen partijen geen geschil meer bestaat. Hieraan kan niet afdoen dat de Korpsbeheerder, naar deze stelt, slechts heeft bedoeld dat gegeven de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening voor hem geen andere weg meer open stond dan, in afwachting van de uitkomst van zijn hoger beroep, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen door de rechtbank is overwogen. Wat er van deze bedoeling zij, gelet op de duidelijke en stellige bewoordingen kon de tot betrokkene gerichte mededeling niet in een zo beperkte zin worden begrepen.
2.3. Het hoger beroep zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard, met veroordeling van de Korpsbeheerder in de kosten van het indienen van het verweerschrift van betrokkene, zoals hierna onder 4. aangegeven.
3. Het nadere besluit van 25 juli 2005.
3.1. Hierbij gaat het erom of, uitgaande van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen, moet worden gesproken van onevenredigheid tussen aard en ernst van het plichtsverzuim, zoals dat door de rechtbank is vastgesteld en de daarvoor opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
3.2. De rechtbank heeft geconcludeerd dat betrokkene geen toestemming had de kluis en de twee stoelen mee naar huis te nemen en voorts dat betrokkenes gedrag laakbaar is en hem dient te wor-den aangerekend. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de Korpsbeheerder zijn standpunt dat betrokkene zich grievend over zijn chef heeft uitgelaten voldoende had onderbouwd. Volgens de rechtbank had de Korpsbeheerder evenwel bij het nemen en handhaven van het ontslagbesluit geen inzicht geboden in de afweging van het algemeen politiebelang tegenover de persoonlijke belangen van betrokkene, zoals diens onberispelijke staat van dienst, zijn dienstjaren en zijn gezinssituatie. Ook was volgens de rechtbank de proportionaliteit tussen de aard en ernst van de gedragingen en het ontslag door de Korpsbeheerder niet inzichtelijk gemaakt.
3.3. De Raad constateert dat de Korpsbeheerder in het besluit van 25 juli 2005 uitvoerig op de door de rechtbank aangeduide aspecten is ingegaan. De Korpsbeheerder heeft in dit verband met name van belang geacht dat de handelwijze van betrokkene, waarbij behalve twee stoelen ook een nog in gebruik zijnde kluis, die eerst moest worden leeggehaald, ’s avonds na werktijd is opgehaald, geen blijk geeft van handelen in een opwelling, maar op een geplande actie berust. Van degenen die an-deren moeten aanspreken op onjuist gedrag mag volgens de Korpsbeheerder worden verwacht dat zij zelf van onbesproken gedrag zijn. Voorts heeft de Korpsbeheerder meegewogen dat bij geen functionaris binnen de organisatie de indruk mag ontstaan dat het hen die lang in dienst zijn en al-tijd goed hebben gefunctioneerd, is toegestaan zich een eerste maal schuldig te maken aan een vorm van zeer ernstig plichtsverzuim. De Korpsbeheerder heeft betrokkene voorts zwaar aangere-kend de grievende bewoordingen waarin hij zich naar aanleiding van het voorval tegenover zijn chef heeft uitgelaten, waaruit ook bleek dat hij er op rekende dat zijn diensttijd van dertig jaar bij de politie verzachtend zou werken en waarin hij geen enkele spijt of berouw toonde.
3.4. Naar het oordeel van de Raad is de Korpsbeheerder met recht tot de conclusie gekomen dat betrokkene blijk heeft gegeven van een gebrek aan normbesef en beoordelingsvermogen dat onverenigbaar is met de uitoefening van een functie als politieambtenaar. Dat betrokkene ongevraagd aan zijn chef M. heeft meegedeeld dat (ook) hij zaken had meegenomen, maakt de ernst van het plichtsverzuim niet minder. Op dat tijdstip was immers reeds duidelijk dat dit feit niet veel langer verborgen zou kunnen blijven. De door betrokkene aan zijn collega S. geboden hulp bij het vervoer van de door S. tot zich genomen zaken ligt in het verlengde van het hiervóór omschreven plichts-verzuim. In de door betrokkene in een teamvergadering afgelegde verklaring, waarin hij zijn ongenoegen heeft geuit over de reactie van zijn chef M. op de gebleken onregelmatigheden, heeft de Korpsbeheerder terecht een teken gezien dat betrokkene zelfs toen het onjuiste van zijn handelen nog niet inzag.
3.5. Hetgeen door betrokkene is aangevoerd omtrent zijn langdurige goede staat van dienst en zijn persoonlijke omstandigheden, kan niet leiden tot het oordeel dat de Korpschef in weerwil van het vorenstaande van een onvoorwaardelijk strafontslag had behoren af te zien. Evenmin kan betrokkene staande houden dat de Korpsbeheerder, alvorens opnieuw tot ongegrondverklaring van het bezwaar te besluiten, hem in de gelegenheid had moeten stellen om zijn persoonlijke omstandigheden nogmaals op een hoorzitting toe te lichten. Omtrent de aard van die omstandigheden bestond niet een zodanige mate van onduidelijkheid dat het beleggen van zo'n tweede hoorzitting uit een oogpunt van zorgvuldigheid was geboden.
3.6. De onder 3.1. geformuleerde vraag moet dus ontkennend worden beantwoord. Het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar is ongegrond.
4. De Raad acht termen aanwezig om de Korpsbeheerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 322,- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Voor een verdergaande veroordeling in de proceskosten bestaat geen grond.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 juli 2005 ongegrond;
Veroordeelt de Korpsbeheerder in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de politieregio Limburg Zuid;
Bepaalt dat van de politieregio Limburg Zuid een griffierecht van € 422,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.
HD
01.05

