
Jurisprudentie
AX3984
Datum uitspraak2006-05-01
Datum gepubliceerd2006-06-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/34737, 05/34734
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/34737, 05/34734
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beperking kennisname niet gerechtvaardigd.
Eiser is van Rwandese nationaliteit. Verweerder heeft in de asielprocedure gerefereerd aan een individueel ambtsbericht van 5 april 2005. De minister van Buitenlandse zaken heeft de onderliggende stukken van het ambtsbericht, waaronder drie Franstalige brieven en twee Franstalige rapporten van de vertrouwenspersoon, in het kader van de 8:29-procedure aan de rechtbank verzonden. De rechtbank heeft de minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 25 januari 2006, en herhaald op 14 maart 2006, verzocht om een officiële vertaling in het Nederlands van de Franstalige vertrouwelijke stukken die zijn bijgevoegd bij het memorandum van 6 januari 2004 van de ambassade te Kigali. De rechtbank acht het ontvangen van een vertaling van voornoemde onderliggende stukken noodzakelijk voor een goede behandeling van deze zaak. De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brieven van 8 februari 2006 en 20 april 2006 de rechtbank geïnformeerd dat geen reden wordt gezien om tot vertaling van de onderliggende stukken over te gaan. Gezien het voorgaande heeft de minister van Buitenlandse Zaken onvoldoende onderbouwd dat een beperkte kennisname van de onderliggende stukken gerechtvaardigd is. Beperking van de kennisname is niet gerechtvaardigd.
Uitspraak
RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 05 / 34737 en 05 / 34734
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
in de zaak van:
A,
geboren op [...] 1985, van Rwandese nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. G.A. Warris, advocaat te Haarlem,
tegen:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
1. OVERWEGINGEN
1.1 In opgemelde procedure heeft verweerder gerefereerd aan het individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 5 april 2005 met kenmerk DPV / AM-U030317.0262/808759. De conclusies van dit ambtsbericht zijn namens eiser betwist. Op verzoek van de rechtbank heeft de minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 15 november 2005 de onderliggende stukken van het ambtsbericht aan de rechtbank verzonden, te weten:
– een memorandum van 2 mei 2003 van de afdeling Asiel- en Migratiezaken aan de Nederlandse Ambassade te Kigali;
– een memorandum van 6 januari 2004 van de Nederlandse Ambassade te Kigali aan de afdeling Asiel- en Migratiezaken, met als bijlagen de volgende stukken:
– een Franstalige brief van de Nederlandse Ambassade te Kigali aan de vertrouwenspersoon van 4 juni 2003;
– een Franstalig rapport van de vertrouwenspersoon van 26 september 2003;
– een Franstalige brief van de Nederlandse Ambassade te Kigali aan de vertrouwenspersoon van 30 september 2003;
– een Franstalige brief van de Nederlandse Ambassade te Kigali aan de vertrouwenspersoon van 3 december 2003;
– een Franstalig rapport van de vertrouwenspersoon van 29 december 2003.
1.2 De minister van Buitenlandse Zaken heeft met een beroep op artikel 8:29 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) de rechtbank meegedeeld dat er naar zijn mening gewichtige redenen bestaan die rechtvaardigen dat kennisneming van bepaalde gedeelten in de onder 1.1. genoemde documenten tot de rechtbank beperkt dient te blijven. De redenen voor de beperking van de kennisname heeft de Minister van Buitenlandse Zaken in de gemaskeerde versie aangegeven met cijfers bij de desbetreffende passages.
1.3 Bij brief van 2 november 2005 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de door de minister van Buitenlandse Zaken verzochte vertrouwelijkheid. Bij brief van 7 november 2005 heeft eiser de rechtbank meegedeeld dat toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb, wordt verleend. Bij brief van 25 november 2005 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door de minister van Buitenlandse Zaken verzochte vertrouwelijke motivering gerechtvaardigd moet worden geacht. Zo de rechtbank van oordeel is dat beperking van de kennisgeving gerechtvaardigd is, verleent verweerder toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb.
1.4 De rechtbank is van oordeel dat de door de minister van Buitenlandse Zaken verzochte beperkte kennisname van de in de overgelegde stukken aangegeven passages niet gerechtvaardigd is op de door de minister weergegeven gronden. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
1.5 De rechtbank heeft de minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 25 januari 2006, en herhaald op 14 maart 2006, verzocht om een officiële vertaling in het Nederlands van de Franstalige vertrouwelijke stukken die zijn bijgevoegd bij het memorandum van 6 januari 2004 van de Ambassade te Kigali. De rechtbank acht het ontvangen van een vertaling van voornoemde onderliggende stukken noodzakelijk voor een goede behandeling van deze zaak. De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brieven van 8 februari 2006 en 20 april 2006 de rechtbank geïnformeerd dat geen reden wordt gezien om tot vertaling van de onderliggende stukken over te gaan.
1.6 Gezien het voorgaande heeft de minister van Buitenlandse Zaken onvoldoende onderbouwd dat een beperkte kennisname van de onderliggende stukken gerechtvaardigd is.
2. BESLISSING
De rechtbank:
bepaalt dat de beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.P. van der Lelie, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, op 1 mei 2006, opgemaakt door mr. A.W. Martens als griffier.
afschrift verzonden op:

