Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX4137

Datum uitspraak2006-05-03
Datum gepubliceerd2006-05-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
Zaaknummers71790 HA ZA 04-371
Statusgepubliceerd


Indicatie

Rechtmatige overheidsdaad; algehele schadevergoeding voor getroffene. Eind oktober 1998 is in grote delen van de Provincie Groningen als gevolg van hevige regenval ernstige wateroverlast ontstaan.Ter voorkoming van overstromingen elders heeft een crisisberaad, waarin vertegenwoordigers van gemeenten, waterschappen en provincie, onder voorzitterschap van de CdK, besloten de dijken rond de Tussenklappenpolder door te steken en deze polder te gebruiken als bergingsgebied. Eiser woont in de Tussenklappenpolder en als gevolg van het doorsteken van de dijken zijn zijn woning, tuin en weiland onder water komen te staan. Hij heeft daardoor aanzienlijke schade geleden. Een deel van die schade is vergoed ingevolge de WTS-II regeling, een deel is vergoed op grond van een aanvullende regeling van de Provincie en een deel is niet vergoed. Eiser vordert thans op grond van onrechtmatige overheidsdaad vergoeding van de Provincie van het tot dusver nog niet vergoede deel van de schade. Hij beroept zich op het beginsel van égalité devant les charge publique. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Provincie aansprakelijk is voor de volledige schade. De omvang van de schade staat nog niet vast. Abstracte schadeberekening.


Uitspraak

[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser, hierna te noemen [eiser], procureur mr. P.E. Mazel, advocaat mr. J.T. Fuller en de Provincie Groningen, zetelende te Groningen, gedaagde, hierna te noemen de Provincie, procureur mr. M.R. Gans. PROCESVERLOOP [Eiser] heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden, onder overlegging van producties, gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. de Provincie te veroordelen tot het alsnog vergoeden van de volledige schade die hij heeft geleden als gevolg van een besluit van de Provincie om begin november 1998 de dijk van de Tussenklappenpolder door te steken, zoals deze schade blijkt uit het rapport van L. Nederpel, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 1999 tot aan de dag der algehele voldoening; 2. te bepalen dat het door de Provincie nog aan [eiser] te betalen bedrag, met aftrek van al hetgeen als is betaald, exclusief wettelijke rente, wordt vastgesteld op ? 16.960,98; 3. de Provincie te veroordelen in de kosten van dit geding, met bepaling dat deze kosten binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de Provincie tevens wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn. De Provincie heeft bij conclusie van antwoord de vordering bestreden en geconcludeerd [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel hem deze te ontzeggen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. Ter uitvoering van het tussenvonnis van 7 juli 2004 heeft op 23 september 2004 een comparitie van partijen plaatsgevonden. [eiser] is daar in persoon verschenen, vergezeld van [naam] en bijgestaan door mr. Fuller. Voor de Provincie zijn [naam], jurist bij de Provincie, [naam], medewerker Bureau Coördinatie Expertise-organisaties, en mr. Gans verschenen. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens hebben partijen gerepliceerd en gedupliceerd. Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd. RECHTSOVERWEGINGEN Vaststaande feiten 1.1 [Eiser] is eigenaar van het perceel Tussenklappen Oostzijde 3 te Muntendam, bestaande uit een woning met schuren, ondergrond, tuin, weiland en een manegebak. Het perceel ligt in de Tussenklappenpolder. 1.2 Op 27 en 28 oktober 1998 zijn in Groningen en Drenthe extreme hoeveelheden regen gevallen. Als gevolg daarvan dreigden in de dagen daarna (delen van) dorpen, steden en industriegebieden te overstromen. 1.3 In verband met de noodsituatie die was ontstaan is een crisis-managementteam ingesteld bestaande uit bestuurlijke en ambtelijke vertegenwoordigers van waterschappen, gemeenten en de Provincie onder voorzitterschap van de Commissaris der Koningin in de Provincie Groningen. 1.4 Om de noodsituatie het hoofd te bieden heeft het crisis-managementteam verschillende maatregelen getroffen, waaronder het besluit begin november 1998 de dijken om de Tussenklappenpolder op twee plaatsen door te steken en een deel van het overtollige water in die polder te bergen. Het gaat om de dijk langs het Meedenerdiep, in eigendom en beheer bij het toenmalige waterschap Eemszijlvest en de dijk langs het A.G. Wildervanckkanaal in eigendom en beheer bij de Provincie. 1.5 Als gevolg van het onder water zetten van de Tussenklappenpolder is ook het perceel van [eiser] overstroomd, hetgeen heeft geleid tot schade aan zijn opstallen, de tuin, de manegebak en het weiland. 1.6 Op 11 november 1998 heeft [eiser] bij het bureau Laser, dat was belast met de afwikkeling van de schade ingevolge een aantal regelingen, een "Melding schade extreme regenval oktober 1998" ingediend. 1.7 [Eiser] heeft verder de agrarisch schade-expert L. Nederpel (verder te noemen Nederpel) ter zake van zijn schade een rapport op laten maken. Nederpel heeft op 19 november 1998 verslag uitgebracht en de totale schade begroot op f. 77.857,07, exclusief pm-posten, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Voor het herstel van de tuin heeft hij, onder verwijzing naar een offerte van een hoveniersbedrijf, een bedrag van f. 61.250,-, inclusief btw, in de begroting opgenomen. 1.8 Op de Tussenklappenpolder is de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998, de zogenoemde WTS-2 regeling, van toepassing verklaard. Deze regeling voorziet in een gedeeltelijke tegemoetkoming in een aantal vormen van schade ten gevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998. 1.9 De Provincie heeft na overleg met de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (verder te noemen de Staatssecretaris) besloten in individuele gevallen een aanvullende tegemoetkoming in de schade toe te kennen ten einde onbillijkheden van overwegende aard te voorkomen. De teammanagers van Laser is onder voorwaarden mandaat verleend tot het toekennen van de aanvullende vergoedingen. 1.10 In het kader van de uitvoering van de WTS-2 regeling en de aanvullende regeling is de schade vastgesteld door taxateurs/experts samenwerkend in het Bureau Coördinatie Expertisebureaus (BCE). De door tussenkomst van BCE ingeschakelde deskundige ing. J.E. Rijpkema heeft op 22 maart 1999 een schaderapport uitgebracht met betrekking tot de schade aan de tuin, de weilanden en de manegebak. Hij heeft deze schade begroot op f. 17.500,- inclusief btw. 1.11 Een teammanager van Laser heeft namens de Staatssecretaris [eiser] bij besluit van 12 juni 1999 een tegemoetkoming in de schade toegekend op grond van de WTS-2 regeling, ter hoogte van f. 14.657,25. Daarnaast heeft een teammanager van Laser namens gedeputeerde staten van de Provincie Groningen (verder te noemen gedeputeerde staten) [eiser] bij besluit van 15 juni 1999 een aanvullende tegemoetkoming verstrekt ter voorkoming van onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van het onder water zetten van de Tussenklappenpolder ten bedrage van f. 25.941,75. 1.12 De regiomanager van Laser heeft bij besluit van 22 mei 2000 namens de Staatssecretaris het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 12 juni 1999 ongegrond verklaard. De rechtbank, sector bestuursrecht, heeft bij uitspraak van 21 juni 2002, reg.nr. AWB 00/682 BESLU V06, het beroep van [eiser] tegen het besluit van de Staatssecretaris van 22 mei 2000 ongegrond verklaard. [Eiser] heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld. 1.13 Gedeputeerde staten hebben bij besluit van 29 januari 2001 het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 15 juni 1999 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het een zelfstandig schadebesluit betreft ter zake waarvan geen bezwaar en beroep openstaat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank, sector bestuursrecht, heeft bij uitspraak van 21 juni 2002, reg.nr. AWB 01/258 BESLU V06, het beroep van [eiser] tegen het besluit van gedeputeerde staten van 29 januari 2001 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 23 juli 2003 het hoger beroep van [eiser] tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 juli 2002, reg.nr. AWB 01/258 BESLU V06, ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.14 Bij brief van 27 oktober 2003 heeft [eiser] gedeputeerde staten medegedeeld dat naar zijn mening de Provincie gehouden is hem het verschil tussen de door Nederpel begrote schade en de vergoedingen die hij heeft ontvangen op grond van de WTS-2 regeling en de aanvullende regeling te vergoeden. Het verschil tussen de genoemde bedragen beloopt f. 37.258,07, omgerekend ? 16.960,98. In de brief is verder de volgende passage opgenomen: "Deze brief dient u tevens op te vatten als een schriftelijke aanmaning waarmee de verjaring van de vordering tot een schadevergoeding ex artikel 3:317 BW wordt gestuit." 1.15 Gedeputeerde staten hebben [eiser] bij brief van 22 januari 2004 medegedeeld dat de Provincie hem het gevorderde bedrag niet zal vergoeden. Beoordeling van het geschil 2.1 [Eiser] vordert in hoofdsom het hiervoor in overweging 1.14 genoemde bedrag van ? 16.960,98 op grond van onrechtmatig handelen van de zijde van de Provincie. In de kern betreft het een geschil tussen partijen over de hoogte van de aan [eiser] toegekende vergoeding op grond van de aanvullende regeling. 2.2 Ter zake van haar bevoegdheid stelt de rechtbank vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak in hoogste instantie heeft geoordeeld dat de hoogte van de tegemoetkoming in de schade op grond van de aanvullende regeling geen bestuursrechtelijke aangelegenheid is waarvan bezwaar en beroep openstaan ingevolge de Awb. Dat betekent dat de rechtbank, sector civiel, bevoegd is met betrekking tot de hoogte van de (aanvullende) schadevergoeding een oordeel te geven. 2.3 Partijen twisten in de eerste plaats over de vraag of de vordering van [eiser] is verjaard. De Provincie heeft zich onder verwijzing naar artikel 3:316, lid 2, BW op het standpunt gesteld dat de vordering van [eiser] is verjaard, omdat hij deze vordering niet heeft ingesteld binnen zes maanden na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 juli 2003. De brief van [eiser] van 27 januari 2003 kan de verjaring niet stuiten, omdat het tijdig instellen van een nieuwe eis in artikel 3:316, lid 2, BW als exclusieve weg wordt genoemd. 2.4 [Eiser] heeft aangevoerd dat stuiting van de verjaring kan plaatsvinden of door een daad van rechtsvervolging als genoemd in artikel 3:316 BW of door een schriftelijke aanmaning als bedoeld in artikel 3:317, lid 1 BW. Het gevolg van het niet instellen van een nieuwe eis binnen zes maanden, indien een eerder ingestelde eis niet tot toewijzing heeft geleid, is enkel dat geen beroep op stuiting van de verjaring op grond van artikel 3:316 BW kan worden gedaan, niet dat de verjaring niet meer kan worden gestuit door middel van een schriftelijke aanmaning ingevolge artikel 3:317 BW. 2.5 Op grond van artikel 3:310, lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De schade is ontstaan door het onder water zetten van de Tussenklappenpolder begin november 1998. Naar moet worden aangenomen is [eiser] kort na dit gebeuren bekend geworden met de schade en de in zijn opvatting aansprakelijke rechtspersoon. De verjaring is op dat moment gaan lopen. [Eiser] heeft op 27 oktober 2003, derhalve voor het einde van de termijn van vijf jaren, de verjaring gestuit door middel van een schriftelijke aanmaning. Aan het feit dat [eiser] niet binnen zes maanden na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak opnieuw een vordering heeft ingesteld komt in dit verband geen betekenis toe. Het betekent slechts dat de verjaring is blijven lopen en niet is gestuit door de procedures ten overstaan van de rechtbank, sector bestuursrecht, en de Afdeling bestuursrechtspraak. Anders dan de Provincie heeft betoogd vormt het instellen van een nieuwe eis geen exclusieve weg om de verjaring te stuiten zolang de termijn van vijf jaren genoemd in artikel 3:310 BW nog niet is verstreken. 2.6 De Provincie heeft verder gesteld dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser], omdat het besluit tot het doorsteken van de dijken niet is genomen door een orgaan van de Provincie, maar door het crisis-managementteam. 2.7 Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd, moet er inderdaad van worden uitgegaan dat het besluit tot het doorsteken van de dijken rond de Tussenklappenpolder is genomen door het crisis-managementteam. In het crisis-managementteam was de Provincie zowel bestuurlijk als ambtelijk vertegenwoordigd. Het mag dan zo zijn, zoals de Provincie heeft gesteld, dat formeel geen bevoegdheden aan het crisis-managementteam waren overgedragen, feitelijk heeft het crisis-managementteam in gezamenlijkheid besloten tot het treffen van de diverse maatregelen met gebruikmaking van ieders bevoegdheden. Daarbij is tevens besloten om een dijk in eigendom en beheer bij de Provincie door te steken. Met betrekking tot die dijk was de Provincie in elk geval het bevoegde gezag. Daardoor is de Provincie mede aansprakelijk voor de gevolgen van het onder water zetten van de Tussenklappenpolder. Daarnaast heeft de Provincie het voortouw genomen bij het afhandelen van alle schadegevallen die niet voor vergoeding op grond van de WTS-2 regeling in aanmerking kwamen. Dit heeft geleid tot het in het leven roepen van de eerder genoemde aanvullende regeling en het toekennen door gedeputeerde staten van tegemoetkomingen op basis van die regeling. Zoals gezegd vormt de onderhavige procedure in feite een geschil over de uitkomst van de toepassing van de aanvullende regeling. Op grond van de beide hiervoor weergegeven argumenten heeft [eiser] de Provincie in rechte kunnen betrekken ter verkrijging van een vergoeding voor zijn schade. Of naast de Provincie ook nog andere overheden aansprakelijk kunnen worden gesteld voor deze schade kan thans in het midden blijven. 2.8 [Eiser] en de Provincie zijn het er over eens dat het doorsteken van de dijken om de Tussenklappenpolder als zodanig niet als een onrechtmatig handelen kan worden gekwalificeerd. Zwaarwegende maatschappelijke belangen noopten op dat moment tot deze ingrijpende maatregel. 2.9 De rechtbank kan de Provincie niet volgen in haar betoog dat er geen causaal verband bestaat tussen de schade van [eiser] en het doorsteken van de dijk bij het A.G. Wildervanckkanaal. Het crisis-managementteam heeft besloten de dijken rond de Tussenklappenpolder op twee plaatsen gelijktijdig, althans nagenoeg gelijktijdig door te steken. Door beide coupures is water de polder ingestroomd. Dat het water dat binnenstroomde via de coupure in de dijk bij het Meedenerdiep waarschijnlijk eerder de woning van [eiser] heeft bereikt dan het water dat uit het A.G. Wildervanckkanaal de polder binnenstroomde acht de rechtbank voor het vaststellen van het causaal verband tussen de schade en het besluit de dijken door te steken geen relevant onderscheid. Het gaat er niet om welk water de bezittingen van [eiser] heeft overstroomd als gevolg van de besluitvorming binnen het crisis-managementteam, maar dat de bezittingen van [eiser] onder water zijn komen te staan als gevolg van die besluitvorming. De bezittingen van [eiser] zouden ook zijn overstroomd, indien besloten was alleen de dijk bij het A.G. Wildervanckkanaal door te steken. 2.10 Naar het oordeel van de rechtbank kan de Provincie het handelen van het crisis-managementteam en haar vertegenwoordigers daarin ook worden toegerekend. Het betreft een ondanks de hectiek van het moment weloverwogen besluit, waarbij het crisis-managementteam zich bewust is geweest van de (nadelige) gevolgen van het besluit voor de bewoners van de polder. Deze gevolgen behoren tot de risicosfeer van (onder meer) de Provincie. 2.11Het doorsteken van de dijken is, zoals hiervoor is vastgesteld, als zodanig niet onrechtmatig geweest. Echter, zoals de Hoge Raad bij herhaling heeft overwogen, is een van de verschijningsvormen van het gelijkheidsbeginsel de regel dat onevenredig nadelige -dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende- gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld (vgl. o.a. HR 30 maart 2001, NJ 2003, 615 en HR 20 juni 2003, NJ 2005, 189). Dit beginsel wordt ook wel aangeduid, zoals in het debat tussen partijen, als het beginsel van de "égalité devant les charges publique". Uit deze regel vloeit voort dat het toebrengen van onevenredige schade bij een op zichzelf rechtmatige overheidshandeling als het onderhavige besluit de dijken door te steken jegens de getroffenen onrechtmatig is. De omschreven norm strekt ter bescherming van de belangen van direct betrokkenen, in dit geval [eiser]. Toepassing van dit beginsel leidt niet, zoals de Provincie naar voren heeft gebracht, tot de verplichting de volledige de schade te vergoeden, anderzijds is volledige schadevergoeding ook niet op voorhand uitgesloten. Waar er vanuit moet worden gegaan dat [eiser] geen schade van de extreme regenval zou hebben ondervonden wanneer de dijken niet waren doorgestoken, en de schade dus enkel en uitsluitend het gevolg is van de beslissing van het crisis-managementteam de Tussenklappenpolder als bergingsgebied te gebruiken ter voorkoming van zeer omvangrijke overlast en schades elders, dient naar het oordeel van de rechtbank in dit geval redelijkerwijs de volledige schade te worden vergoed, met inbegrip van de schade aan de tuin van [eiser]. 2.12 De rechtbank stelt vast dat partijen met name verdeeld worden gehouden door de omvang van de schade. [eiser] baseert zich op het rapport van Nederpel, terwijl de Provincie uitgaat van het rapport van de BCE-taxateur Rijpkema. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Provincie weliswaar heeft betoogd dat [eiser] geen aanspraak heeft op volledige schadevergoeding, maar dat [eiser] in het kader van de aanvullende regeling wel de volledige door de BCE taxateur vastgestelde schade is vergoed. 2.13 Zoals blijkt uit de brief van de Provincie aan [eiser] van 26 februari 2004, is [eiser] met betrekking tot de schadeposten "opstal", "inboedel", "evacuatie" en "beredding" op grond van de WTS-2 regeling en de aanvullende regeling een bedrag van totaal f. 20.599,- toegekend. Deze posten zijn door Nederpel begroot op f. 14.307,-. Derhalve heeft [eiser] ter zake van deze genoemde schadeposten f. 6.292,- meer ontvangen dan door hem was begroot. Waar het gaat om de tuin, met inbegrip van de weilanden en de manegebak is [eiser] op grond van genoemde regelingen f. 20.000,- toegekend, terwijl Nederpel de schade op dit onderdeel heeft begroot op f. 61.250,-. Voor gederfde inkomsten, door [eiser] begroot op f. 2.300,-, is [eiser] geen tegemoetkoming toegekend. [eiser] heeft het overzicht van de Provincie niet betwist. Per saldo gaat het derhalve over de omvang van de schade aan de tuin en de vraag of er sprake is van gederfde inkomsten. 2.14 Nu er met betrekking tot de schade aan de tuin twee rapportages liggen die over en weer bestreden zijn en waarvan de rechtbank niet op voorhand kan vaststellen welke rapportage een juiste weergave van de schade geeft, zal de rechtbank ter zake een onderzoek door een deskundige gelasten. 2.15 Alvorens tot benoeming van een deskundige over te gaan zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich ieder voor zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de formulering van de aan de deskundige voor te leggen vragen. Daartoe verwijst de rechtbank de zaak naar de rol voor het nemen van een akte op dit punt. De rechtbank tekent daarbij aan dat het de voorkeur verdient dat partijen hun wensen omtrent de persoon van de deskundige en de te stellen vragen zoveel mogelijk in onderling overleg op elkaar afstemmen. 2.16 Daarbij tekent de rechtbank op voorhand aan dat nu het gaat om beschadiging, onderscheidenlijk het verloren gaan van delen van de tuin, de weilanden en de manegebak de schade zal worden bepaald aan de hand van het bedrag van de naar objectieve maatstaven bepaalde herstelkosten. In dat verband speelt een rol dat tot nu toe alle tegemoetkomingen zijn gebaseerd op een abstracte schadeberekening. Ook het rapport van de BCE-taxateur Rijpkema gaat daar vanuit. Vaststelling van de schade op basis van bonnen en declaraties ter zake van inmiddels uitgevoerde werkzaamheden en aangeschaft materiaal acht de rechtbank in deze situatie mede om die reden niet aangewezen. Dit geldt te meer, omdat zoals [eiser] heeft gesteld, geenszins valt uit te sluiten dat niet (meer) van alle werkzaamheden bonnen voorhanden zijn. 2.17 Verder zal overeenkomstig de in artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde hoofdregel [eiser] als eiser het voorschot voor de deskundige dienen te voldoen. 2.18 Met betrekking tot de gederfde inkomsten stelt de rechtbank vast dat niet onaannemelijk is dat [eiser] zich enkele weken bezig heeft moeten houden met opruimwerkzaamheden en dergelijke en dat dit tot verlies aan inkomsten heeft geleid. [eiser] zal worden toegelaten zijn stellingen op dit punt te bewijzen. 2.19 De rechtbank zal iedere verdere beslissing in deze zaak aanhouden. BESLISSING De rechtbank: RECHT DOENDE, 1. verwijst de zaak naar de rol van 17 mei 2006 voor het nemen van een akte zowel aan de zijde van [eiser], als aan de zijde van de Provincie ten einde zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen; 2. laat [eiser] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij tot een bedrag van f. 2.300,- inkomsten heeft gederfd; 3. bepaalt dat, voor zover [eiser] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, getuigen kunnen worden voorgebracht voor mr. B.J.H. Hofstee, rechter-commissaris in deze zaak, waartoe de zaak naar de rol wordt verwezen van 17 mei 2006 voor het indienen van verhinderdata t/m september 2006, opdat een getuigenverhoor kan worden gepland; 4. bepaalt dat, voor zover [eiser] schriftelijk bewijs wil leveren, hij op de rol van 17 mei 2006 een daartoe strekkende akte dient te nemen; 5. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2006.