
Jurisprudentie
AX4178
Datum uitspraak2006-02-21
Datum gepubliceerd2006-05-23
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers249528
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-05-23
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers249528
Statusgepubliceerd
Indicatie
partneralimentatie - samenleving ex 1:160 BW - toegewezen
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige Kamer
Alimentatie
rekestnummer A. : FA RK 05-5018
zaaknummer : 249528
datum beschikking: 21 februari 2006
BESCHIKKING op het op 26 augustus 2005 ingekomen verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
de man, procureur: voorheen mr. M.C. Reichmann, thans mr. J.M. van Baardewijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
de vrouw,
procureur: mr. H.C. Grootveld,
advocaat: mr. A.B. de Wit, kantoorhoudende te Zutphen.
PROCEDURE
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de brief met bijlage d.d. 4 januari 2006 van de zijde van de man;
- de brief met bijlagen d.d. 13 januari 2006 van de zijde van de vrouw.
Op 24 januari 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en zijn procureur alsmede de vrouw en haar advocaat. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.
BEOORDELING
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 23 augustus 2001 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is voorts het door partijen op 30 juli 2001 ondertekende echtscheidingsconvenant opgenomen. Voornoemde beschikking is op 30 augustus 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In artikel 3 van voornoemd echtscheidingsconvenant is bepaald dat de man een jaarlijks te indexeren bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal betalen van fl. 1.500,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
Indien een verzoek of verweer gedeeltelijk of geheel is ingetrokken of aangepast, wordt in de beschikking uitsluitend melding gemaakt van het verzoek of verweer zoals dat thans luidt.
Daartoe is opgenomen de tekst 'zoals dat thans luidt' of 'thans nog'.
Het verzoek van de man luidt - met wijziging van voornoemde beschikking en voornoemd echtscheidingsconvenant -:
- te verklaren voor recht dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 17 februari 2004 is beëindigd, althans de partneralimentatie met ingang van 17 februari 2004 te beëindigen dan wel op nihil te stellen, althans een ingangsdatum van de beëindiging c.q. nihilstelling te bepalen als de rechtbank juist acht;
- te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag is verschuldigd van € 12.449,70 en de vrouw te veroordelen dit bedrag aan de man te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum indiening verzoekschrift, althans de vrouw te veroordelen tot betaling van een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor voormelde beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven en voert hiertoe primair aan dat de vrouw sedert 17 februari 2004 is gaan samenleven met de heer [naam] als waren zij gehuwd, zodat op grond op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek de alimentatieplicht van rechtswege is geëindigd. Subsidiair voert de man aan dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud, daar de man ervan uitgaat dat zij met haar inkomen uit arbeid in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, temeer daar zij alle vaste lasten met haar partner deelt.
De vrouw heeft verweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de man af te wijzen.
De vrouw is primair van mening dat de door partijen overeengekomen bijdrage niet ziet op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Zij heeft gesteld dat partijen destijds zijn overeengekomen dat de man een bijdrage aan de vrouw zou leveren als schadevergoeding voor de geestelijke en lichamelijke mishandelingen die de vrouw gedurende het huwelijk heeft ondergaan.
Zij heeft verklaard dat zij de man destijds voor de keuze heeft gesteld óf medewerking te verlenen aan de scheiding en de vrouw een maandelijkse schadevergoeding te betalen tot zijn pensioengerechtigde leeftijd óf aangifte bij de politie door haar tegen hem van mishandeling. De man heeft voor het eerste gekozen. Vanwege fiscale redenen zijn partijen overeengekomen dat deze bijdrage in het convenant zou worden omschreven als alimentatie, aldus de vrouw. De vrouw is gelet hierop van mening dat de regel van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek in onderhavige zaak niet van toepassing is.
De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. Hij heeft erop gewezen dat de afspraken over de gevolgen van de echtscheiding destijds in goede harmonie tot stand zijn gekomen en zijn neergelegd in het echtscheidingsconvenant. De bijdrage voor de vrouw die daarbij is overeengekomen ziet volgens hem zoals gebruikelijk op partneralimentatie, zodat artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek wel degelijk van toepassing is.
De rechtbank overweegt als volgt.
Bij de uitleg van het door partijen gesloten echtscheidingsconvenant komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit het convenant mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de hantering van deze norm dient de uitleg van een schriftelijk contract - en dus ook van dit echtscheidingsconvenant - niet plaats te vinden op grond van enkel de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben bij de uitleg van dat geschrift echter wel van groot belang. Nu uit de taalkundige bewoordingen van het door partijen gesloten echtscheidingsconvenant blijkt dat de bijdrage als bedoeld in artikel 3 ziet op een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw - waarvan het in het maatschappelijk verkeer overigens niet ongebruikelijk is dat deze in een convenant wordt opgenomen - terwijl niet uit de context van het convenant of anderszins ontegenzeggelijk is af te leiden dat de genoemde bijdrage op een door partijen overeengekomen schadevergoeding ziet, is de rechtbank van oordeel dat een juiste uitleg van het convenant met zich meebrengt dat partijen de intentie moeten hebben gehad een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw ex artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen.
Artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek is derhalve van toepassing in onderhavige zaak.
Subsidiair betwist de vrouw dat er sprake is van een samenleving in de zin van artikel 1:160 BW.
Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De heer [naam] had tot mei 2005 een eigen woning, waar hij geregeld verbleef. Er was tot die tijd sprake van een LAT-relatie, waarbij geen sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Voorts was evenmin sprake van samenwoning in de zin van de wet. Op 6 mei 2005 is de heer [naam] bij de vrouw ingetrokken en sedertdien staat hij ook op het adres van de vrouw ingeschreven. De vrouw is desalniettemin van mening dat vanaf 6 mei 2005 evenmin sprake is van samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW.
Zij heeft hiertoe gesteld dat niet aan alle criteria die de Hoge Raad heeft ontwikkeld om een dergelijke samenwoning aan te nemen is voldaan. Zo is er volgens haar geen sprake is van een gemeenschappelijk huishouding dan wel wederzijdse verzorging. De vrouw heeft erop gewezen dat zij en de heer [naam] financieel en anderszins voor zichzelf zorgen. Zo hebben zij ieder een eigen bankrekening en neemt de vrouw alle kosten in verband met de woning voor haar rekening, terwijl de heer [naam] de kosten vergoedt die de vrouw dient te maken in verband met het feit dat hij bij haar woont. De financiën zijn derhalve volledig gescheiden, zo stelt de vrouw.
De man heeft gesteld dat er wel degelijk sprake is van een samenlevingsrelatie in de zin van artikel 1:160 BW, hetgeen volgens hem blijkt uit meerdere feiten en omstandigheden. Ten eerste, zo stelt hij, heeft de vrouw in haar verweerschrift erkend dat zij een affectieve relatie heeft met de heer [naam], terwijl zij niet heeft ontkend dat deze relatie van duurzame aard is. Voorts blijkt uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel dat de onderneming van de heer [naam] sedert 17 februari 2004 is ingeschreven op het voormalige adres van de vrouw. Daarnaast zijn de vrouw en de heer [naam] sedert 6 mei 2005 in het bevolkingsregister ingeschreven op hetzelfde adres. Hieruit blijkt volgens de man dat partijen één woning delen. Voorts heeft de man gewezen op een in opdracht van hem uitgebracht onderzoeksrapport, opgesteld door Bureau De Rijk. Het onderzoek door voornoemd Bureau is aangevangen op 8 november 2004 en is op 19 mei 2005 afgesloten. Gebleken is dat de vrouw en de heer [naam] gedurende de gehele onderzoeksperiode in hetzelfde huis woonden. De heer [naam] liep iedere dag in en uit de woning, bracht daar de nacht door en parkeerde zijn auto iedere nacht achter de woning. Daarnaast is de man van mening dat uit het onderzoek blijkt dat de vrouw en de heer [naam] een gezamenlijke huishouding voerden. Zo is gebleken dat zij gezamenlijke uitstapjes ondernamen, gezamenlijk de hond uit lieten, gezamenlijk gebruik maakten van de auto van de heer [naam], gezamenlijk gebruik maakten van alle vertrekken in de woning en gezamenlijk boodschappen deden. Volgens de man blijkt uit voornoemd rapport eveneens dat sprake is van financiële en niet-financiële wederzijdse verzorging. Zo staat op pagina 8 van het rapport dat de vrouw en de heer [naam] in de supermarkt één winkelwagentje gebruiken, terwijl bij de kassa alle goederen worden betaald door de heer [naam]. Op een ander moment betaalt de vrouw juist alle boodschappen bij de kassa, zo blijkt uit pagina 11 van het rapport. De vergoeding die maandelijks door de heer [naam] aan de vrouw wordt betaald, wijst er volgens de man eveneens op dat hun financiën zijn verweven, dat zij elkaar financieel ondersteunen en dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Voorts heeft de man ter staving van zijn stelling gewezen op een kennelijk gezamenlijke aankoop van een zonwering.
Uit het onderzoeksrapport blijkt volgens de man ten slotte dat de samenlevingsrelatie reeds bij aanvang van het onderzoek aanwezig was, zodat de man het aannemelijk acht dat de vrouw daarvóór ook reeds een dergelijke relatie onderhield.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bevestigende beantwoording van de vraag of de vrouw sedert 17 februari 2004 samenleefde of nadien heeft samengeleefd met de heer [naam] in de zin van artikel 1:160 BW, sprake moet zijn van die feiten en omstandigheden welke volgens vaste jurisprudentie zijn vereist. Het moet daarbij gaan om een tot volledige lotsverbondenheid leidende levensgemeenschap, welke het kenmerk is van een huwelijk. Hiertoe is niet alleen vereist dat de vrouw en de heer [naam] elkaar wederzijds verzorgen, maar ook dat zij met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Bovendien moet er sprake zijn van een affectieve relatie van duurzame aard.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard. De vrouw heeft immers in haar verzoekschrift gesteld dat zij haar affectieve relatie met de heer [naam] nooit heeft verhuld, waarmede zij erkent dat er sprake is van een affectieve relatie, en zij heeft daarnaast de stelling van de man dat deze relatie van duurzame aard is niet bestreden.
Voorts acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de vrouw vanaf 8 november 2004 samenwoonde met de heer [naam]. Uit het onderzoeksrapport van Bureau de Rijk blijkt dat sedert 8 november 2004 steekproefsgewijs is geconstateerd dat de heer [naam] in en uit de woning van de vrouw te [plaatsnaam] liep en daar eveneens de nacht doorbracht. Voorts stond zijn auto 's nachts achter deze woning geparkeerd. De vrouw heeft de resultaten van voornoemd onderzoek niet weersproken. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat de vrouw en de heer [naam] in ieder geval met ingang van 8 november 2004 feitelijk samenwoonden. Dat de heer [naam] eerst op 6 mei 2005 formeel op hetzelfde adres als de vrouw staat ingeschreven in het bevolkingsregister doet hieraan niets af, temeer nu de vrouw en de heer [naam] kennelijk op die datum gezamenlijk hun huidige woning te [woonplaats] hebben betrokken.
De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is komen vaststaan dat reeds in de periode vóór 8 november 2004 sprake was van samenwonen van de vrouw met de heer [naam]. Het enkele feit dat de onderneming van de heer [naam] vanaf 14 februari 2004 reeds op het voormalige adres van de vrouw te [plaatsnaam] stond ingeschreven, acht zij onvoldoende om samenwoning en derhalve samenleving in de zin van artikel 1:160 BW in die periode aan te nemen.
De rechtbank overweegt voorts dat voldoende is gebleken dat de vrouw en de heer [naam] een gemeenschappelijke huishouding voeren. Uit voornoemd onderzoeksrapport blijkt dat de vrouw en de heer [naam] gezamenlijk activiteiten ondernemen, gezamenlijk de hond uitlaten, gezamenlijk gebruik maken van de auto van de heer [naam] en gezamenlijk boodschappen doen. De vrouw heeft een en ander niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat voldoende vaststaat dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding.
Ten aanzien van het vereiste van wederzijdse verzorging heeft de vrouw gesteld dat de financiën strikt zijn gescheiden, zodat aan dit vereiste niet is voldaan. De man heeft de stelling van de vrouw echter gemotiveerd betwist, door te wijzen op voornoemd onderzoeksrapport waaruit onder andere blijkt dat de boodschappen van de vrouw en de heer [naam] gezamenlijk en door één van hen worden afgerekend. Voorts heeft de man gesteld en aangetoond dat de vrouw en de heer [naam] een gezamenlijke bankrekening hebben en ook gezamenlijk aankopen doen. De stellingen van de vrouw dat geen sprake is van een gezamenlijke bankrekening en dat de aankoop van de zonwering door een fout van de bank op hun beider naam is komen te staan, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de vrouw en de heer [naam] elkaar, zowel financieel en niet-financieel, verzorgen.
Gelet op het vorenoverwogene, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vaststaan met ingang van 8 november 2004 sprake is van een samenleving in de zin van artikel 1:160 BW. De alimentatieverplichting van de man is deswege met ingang van die datum van rechtswege geëindigd. De rechtbank zal het verzoek van de man zulks voor recht te verklaren derhalve toewijzen.
De man heeft voorts aanspraak gemaakt op terugbetaling van hetgeen als gevolg van deze beslissing onverschuldigd zal blijken te zijn betaald.
De vrouw acht het onredelijk dat zij de reeds door de man betaalde bijdragen in haar levensonderhoud moet terugbetalen, gelet op het consumptieve karakter hiervan. Zij stelt dat zij, gelet op haar geringe inkomen, bovendien niet in staat is de reeds betaalde bijdragen terug te betalen. Indien de rechtbank de haar in deze stelling niet mocht volgen, verzoekt zij de rechtbank terugbetaling in gedeelten toe te staan.
De rechtbank overweegt dat de vrouw had moeten beseffen dat door haar samenleving met de heer [naam] de alimentatieverplichting van de man zou eindigen en dat de sedertdien door de man betaalde bijdragen derhalve onverschuldigd zijn betaald. Zij had er daarom rekening mee moeten houden dat zij deze bijdragen op een gegeven moment zou moeten terugbetalen. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de man laatstelijk alimentatie heeft betaald over de maand juni 2005. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw het bedrag dat door de man onverschuldigd aan haar is betaald, zijnde € 5.918,84 over de periode van 8 november 2004 tot en met juni 2005, dient terug te betalen, zodat zij zal beslissen als na te melden. Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij een gering inkomen heeft, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw dit bedrag in twaalf maandelijkse termijnen dient terug te betalen.
BESLISSING, met wijziging in zoverre van voormelde beschikking d.d. 23 augustus 2001 en daarin opgenomen echtscheidingsconvenant d.d. 30 juli 2001:
De rechtbank:
verklaart voor recht dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 8 november 2004 is geëindigd;
bepaalt dat de vrouw aan de man een bedrag is verschuldigd van € 5.918,84 en veroordeelt de vrouw dit bedrag aan de man te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum indiening verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de vrouw dit bedrag in twaalf maandelijkse termijnen dient terug te betalen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van de Poll, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2006.

