
Jurisprudentie
AX4833
Datum uitspraak2006-05-11
Datum gepubliceerd2006-05-24
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1230 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-05-24
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1230 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Is terecht geweigerd vergoeding te geven voor gegeven cursussen. Behoorde het geven van cursussen tot de reguliere taak van betrokkene.
Uitspraak
04/1230 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 januari 2004, nr. 03/575 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister),
Datum uitspraak: 11 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I.M. Dangremond-Grotenhuis, werkzaam bij De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening, hoger beroep ingesteld.
Namens de Minister is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door J. Veeren, bestuurder van De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.H.C. van Eck en mr. M.J.G. van den Bosch, beiden werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat en verder de heer G. Ohmann, voormalig direct leiding-gevende van appellant.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is werkzaam geweest als [naam functie] bij de Rijksverkeersinspectie (RVI) afdeling Havens, Binnenvaart en Spoor (HBS). Appellant heeft zowel interne als externe cursussengegeven en daarmee verband houdende activiteiten verricht. Nadat appellant in een personeelsblad had gelezen dat er een docentenregeling bestond welke de mogelijkheid bood tot toekenning van een vergoeding voor het geven van cursussen en daarbij behorende werkzaamheden, heeft hij op 14 augustus 2000 een declaratie ingediend ter verkrijging van een vergoeding voor in de periode 1992 tot en met 1999 gegeven cursussen.
1.2. De Minister heeft bij besluit van 14 november 2000 geweigerd een vergoeding voor de gegeven cursussen te verstrekken. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de Minister ongegrond verklaard bij zijn beslissing op bezwaar van 6 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit). Aan dit besluit heeft de Minister het standpunt ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden niet op aanwijzing van het bevoegde gezag werden verricht. Voorts heeft de Minister overwogen dat de activiteiten van appellant beschouwd dienen te worden als voortvloeiende uit zijn functieomschrijving welke onder meer inhoudt het geven van advies en voorlichting over bepalingen van de te handhaven wetgeving.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. In geschil is of appellant op grond van de Regeling Docentenvergoeding Verkeer en Waterstaat 1986 en de Beleidsregels Docentenvergoeding Verkeer en Waterstaat aanspraak kan maken op vergoedingen voor door hem gegeven cursussen en daarmee verband houdende activiteiten.
3.2. Tot 1 januari 1999 hanteerde de Minister ter zake van verzoeken om zogenoemde docentenvergoedingen de criteria zoals opgenomen in de Regeling docentenvergoedingen Verkeer en Waterstaat 1986. Op grond van artikel 3 van deze regeling komen voor beloning niet in aanmerking zij die uit hoofde van hun functie betrokken zijn bij opleidingen. Op grond van artikel 4 van deze regeling is vereist dat de werkzaamheden worden verricht op aanwijzing van het bevoegde gezag.
In artikel 1 van de per 1 januari 1999 van toepassing geworden en op artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren (BBRA) stoelende Beleidsregels Docentenvergoeding Verkeer en Waterstaat, is bepaald dat onder docent wordt verstaan de medewerker van het ministerie van Verkeer en Waterstaat die in opdracht van het bevoegd gezag onder werktijd lessen of cursussen geeft. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van deze Beleidsregels komen voor de docententoeslag niet in aanmerking degenen waarvoor uit hoofde van hun functie het geven van lessen of cursussen een reguliere taak is.
3.3. Dat de cursussen onder werktijd werden gegeven is tussen partijen niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit.
3.4.Partijen twisten over de vraag of het geven van cursussen tot de reguliere taak van appellant behoorde.
3.4.1. In de functieomschrijving van de [naam functie] die betrekking heeft op de periode vanaf het jaar 1996 tot en met 1999 is als taak vermeld het geven van advies en voorlichting aan vervoerders, verladers of vertegenwoordigers over bepalingen in de te handhaven wetgeving. Het geven van cursussen zoals appellant heeft gedaan, valt naar het oordeel van de Raad niet onder die voorlichtingstaak reeds omdat de cursussen niet werden gegeven aan de daarin genoemde doelgroepen. In de functieomschrijving welke in de periode gelegen vóór het jaar 1996 heeft gegolden is naar het oordeel van de Raad in het geheel geen grondslag te vinden voor het standpunt van de Minister dat het geven van cursussen een reguliere taak van appellant was. De overgelegde functieomschrijving die is opgemaakt in het jaar 2000 en waarin het geven van cursussen wel als taak is opgenomen, ziet niet op de periode in geding. Overigens is namens de Minister ter zitting verklaard dat deze functiebeschrijving nooit formeel is vastgesteld. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de vergoeding niet kan worden geweigerd op de grond dat het geven van cursussen tot de reguliere taken van appellant behoorde.
3.5. Wat betreft de vraag of de cursussen werden gegeven in opdracht van het bevoegd gezag overweegt de Raad het volgende. In hoger beroep heeft appellant een tweetal verklaringen overgelegd. De eerste verklaring is van 14 april 2004 en opgesteld door een ambtenaar die in de periode van 1992 tot en met 1998 de functie van Rijkshoofdcontroleur bekleedde en in die periode korte tijd teamleider van appellant is geweest. Blijkens die verklaring is binnen het managementteam meerdere malen besloten om appellant te belasten met het verzorgen van cursussen en heeft genoemde ambtenaar in zijn hoedanigheid van teamleider appellant opdracht gegeven om cursus te geven aan de Douane te Venlo. De tweede verklaring is opgenomen in een schrijven van 3 maart 2004 van een voormalig Unitmanager bij de RVI in de periode van 1 juni 1993 tot 1 maart 1995. Hij heeft verklaard dat hij appellant via zijn hoofdcontroleurs opdracht heeft gegeven theoretische lessen te verzorgen aan de douane en collega’s RVI-oude stijl. Daarmee is naar het oordeel van de Raad aannemelijk geworden dat de cursussen aan RVI-medewerkers en aan de Douane te Venlo in opdracht van het bevoegd gezag zijn gegeven. De Raad acht gelet op punt 6 onder “mededelingen” van het verslag van een op 31 maart 1998 gehouden vergadering en de verklaring van de Rivierpolitie van 12 maart 1999 omtrent afspraken met het afdelingshoofd van appellant, aannemelijk dat ook voor de cursussen aan de Rivierpolitie opdracht is verstrekt. Naar het oordeel van de Raad is op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat appellant van het bevoegd gezag opdracht heeft gekregen voor de cursussen in het overzicht, gevoegd bij het declaratieformulier van 14 augustus 2000.
3.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. De Raad zal de Minister opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen.
5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de Minister op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 6 februari 2003;
Bepaalt dat de Minister een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
€ 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 291,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD

