Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX5450

Datum uitspraak2006-07-04
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00206/06 H, 00256/06 H, 00257/06 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening.


Conclusie anoniem

Nrs. 00206/06 H, 00256/06 H, 00257/06 H Mr Machielse Zitting 23 mei 2006 Conclusie inzake: [aanvrager] 1. Mr. M. Kleijngeld, advocaat te Utrecht, heeft een aanvraag ingediend om herziening van drie veroordelingen van de politierechter te Breda. De stelling waar de aanvraag op berust is dat er sprake is van een persoonsverwisseling omdat een ander zich voor aanvrager heeft uitgegeven. De aanvrage noemt de omstandigheden waarop de aanvrage berust en geeft de bewijsmiddelen op waaruit deze omstandigheden blijken. 2. Uit de stukken blijkt van de volgende chronologisch geordende veroordelingen op naam van [aanvrager]: - een verstekvonnis van de politierechter te Breda van 14 oktober 2003 (parketnummers 02/76027-03 en 02/71056-03), waarin verdachte voor diefstallen, begaan op 25 juli 2003 en 6 augustus 2003, is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken en tot een werkstraf voor de duur van 50 uur. De inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 02/71056-03 is aan de aangehouden verdachte in persoon uitgereikt. De inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 02/76027-03 is aan de griffier uitgereikt; - een verstekvonnis van de politierechter te Breda van 11 december 2003 (parketnummer 02/76527-03), waarin verdachte voor diefstal, begaan op 24 oktober 2003, is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van een week. De dagvaarding is aan de aangehouden verdachte in persoon uitgereikt; - een vonnis op tegenspraak van de politierechter te Breda van 6 mei 2004 (parketnummer 02/76784-03), waarin verdachte voor gekwalificeerde diefstal begaan op 22 november 2003 is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van acht weken. Al deze veroordelingen zijn onherroepelijk. 3. In de laatste zaak, die is uitgemond in een vonnis op 6 mei 2004 (parketnummer 02/76784-03), was aanvrager ter terechtzitting van 19 februari 2004 verschenen. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting bevindt zich onder de bijlagen die de aanvraag vergezellen. Aanvrager heeft toen de politierechter erop gewezen dat zijn broer, [betrokkene 1], zich voor hem had uitgegeven. De officier van justitie vorderde daarop schorsing van het onderzoek ter terechtzitting om nader onderzoek te doen verrichten. Daarop is het onderzoek ter terechtzitting tot 6 mei 2004 geschorst. Aan aanvrager is aangezegd op deze datum weer aanwezig te zijn. Op 6 mei 2004 wordt aanvrager dan veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken. Eigenaardig is dat de aantekening van het mondeling vonnis van 6 mei 2004 vermeldt dat de verdachte na aanhouding zou zijn verschenen, terwijl aanvrager de eerste keer was verschenen, waarna het onderzoek ter terechtzitting is geschorst. Kennelijk is aanvrager op 6 mei 2004 ter terechtzitting niet meer verschenen.(1) De aanvraag meldt dat deze veroordeling inmiddels is tenuitvoergelegd. De executie van de andere opgelegde gevangenisstraffen heeft de officier opgeschort. Tegen de omzetting van de taakstraf is een bezwaarschrift ingediend, waarop de politierechter te Breda op 26 mei 2005 heeft beslist. Het bezwaarschrift is ongegrond verklaard. 4. De aanvrage gaat vergezeld van onder meer de volgende bijlagen: - Een proces-verbaal van bevindingen, PL 2066/ 03-156309, opgemaakt door [verbalisant 1], agente van politie Midden en West Brabant, waarin deze verklaart dat zij op 25 juli 2003 iemand heeft opgehaald die verdacht werd van winkeldiefstal te Tilburg. Nadien is haar verzocht twee foto's te bekijken. Op een van de foto's herkende zij voor 100 procent de persoon die op 25 juli 2003 was aangehouden, welke persoon bleek te zijn [betrokkene 1]. De persoon op andere foto, aanvrager, had zij nog nooit eerder gezien. - Een proces-verbaal van verhoor, PL 2066/03-156309, waarin [getuige 1] verklaart over een winkeldiefstal van 25 juli 2003. [Getuige 1] heeft de winkeldief aangehouden en overgedragen aan de politie. Hem wordt een foto getoond van aanvrager. [Getuige 1] herkent aanvrager als degene die met zijn vriendin in de winkel is geweest en aan wie [getuige 1] toen heeft gezegd dat hij hem niet van de diefstal herkent. De persoon op andere foto wordt door hem niet herkend. - Een proces-verbaal van verhoor, PL 2066/03-156309, inhoudende de verklaring van [getuige 2], waarin zij ook te kennen geeft dat de jongen, die met zijn vriendin in de winkel is geweest, een ander was dan degene die de winkeldiefstal op 25 juli 2003 heeft gepleegd. - Een proces-verbaal van verhoor, PL 2063/03-167253, waarin [getuige 4] de dader van een winkeldiefstal, gepleegd op 6 augustus 2003 te Tilburg, niet van de hem voorgehouden foto's kan herkennen. Niet duidelijk is welke foto's aan deze getuige zijn getoond. - Een proces-verbaal van verhoor, PL 2067/03-266429, inhoudende de verklaring van de vriendin van aanvrager, [betrokkene 2], waarin deze verslag doet van haar pogingen om hard te maken dat niet aanvrager maar zijn broer de strafbare feiten waarvoor aanvrager is veroordeeld heeft gepleegd. - Een proces-verbaal van verhoor, PL 2067/03-266429, inhoudende als verklaring van [aangeefster] dat zij van de foto van [betrokkene 1] de dader herkent van een op 22 november 2003 gepleegde diefstal. De persoon die is afgebeeld op de door de vriendin van aanvrager ter beschikking gestelde foto is haar onbekend. - Een proces-verbaal van verhoor, PL 2067/03-266429 waarin [getuige 3], collega van [aangeefster], de verklaring van deze [aangeefster] bevestigt. - Een proces-verbaal van verhoor, PL 2066/03-266429, waarin [betrokkene 1] toegeeft dat hij best de diefstal van 24 november 2003, te Tilburg, kan hebben gepleegd en daarbij de naam van zijn broer, aanvrager, kan hebben opgegeven.(2) 5. Uit deze bewijsmiddelen is het ernstige vermoeden te putten dat niet aanvrager maar diens broer de diefstal op de markt te Tilburg op 22 november 2003 (parketnummer 02/76784-03) heeft gepleegd. Hetzelfde geldt voor de diefstal te Tilburg op 25 juli 2003 (parketnummer 02/76027-03). Maar de mogelijkheid dat de dader van diefstal van 25 juli 2003 ten onrechte de personalia van aanvrage heeft opgegeven is aan de politierechter op 19 februari 2004 voorgehouden. De politierechter heeft daarin aanleiding gezien het onderzoek te schorsen en heeft aan de aanvrager de nieuwe rechtsdag aangezegd. Kennelijk is aanvrager daar niet verschenen. Daarmee lijkt hij zijn eigen glazen te hebben ingegooid. Maar de politierechter kon niet beschikken over de verklaringen die thans als bijlage aan de aanvraag zijn gehecht en die de verklaring die aanvrager ter terechtzitting van 19 februari 2004 heeft afgelegd wel heel overtuigend maken. Mijn voorstel is om die nieuwe verklaringen als nova in de zin van artikel 457 lid 1 onder 2 Sv te beschouwen. De inhoud van die verklaringen doen het ernstig vermoeden rijzen dat de politierechter, ware hij met de inhoud van deze verklaringen bekend geweest, aanvrager zou hebben vrijgesproken van het tenlastegelegde. Voorts wijs ik er op dat de handtekeningen die door de aangehouden verdachte zijn gezet onder de akten van uitreiking van de inleidende dagvaardingen voor de terechtzittingen van 11 december 2003 en 14 oktober 2003 naar mijn waarneming een grote gelijkenis vertonen en zich manifest onderscheiden van de handtekening die aanvrager heeft gezet onder de akte van uitreiking van de mededeling van de uitspraak van de politierechter van 14 oktober 2003 en die voorkomen op de kopiën van rijbewijs en paspoort van aanvrager die als bijlagen bij de aanvraag zijn gevoegd. Dit, gevoegd bij de verklaring die de vriendin van aanvrage, [betrokkene 2 ], aan de politie heeft afgelegd biedt, lijkt mij, een toereikende basis voor het ernstig vermoeden dat ook in de zaak waarin de politierechter aanvrager op 11 december 2003 heeft veroordeeld, de broer van aanvrager zich voor hem heeft uitgegeven. 6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Aldus ook de inhoud van het e-mailbericht van 31/12/2004 dat verbalisante [verbalisant 2] aan [betrokkene 2 ], de vriendin van aanvrager, heeft verzonden, welke e-mail als bijlage bij de aanvraag is gevoegd, en de brief van de raadsman van aanvrager aan de executie-officier mw. Mr. Bogaert van 11 januari 2005. 2 Bedoeld zal zijn de diefstal van een trui op de markt op het Koningsplein te Tilburg op 24 november 2003.


Uitspraak

4 juli 2006 Strafkamer nrs. 00206/06 H 00256/06 H 00257/06 H IC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van - een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 14 oktober 2003, nummers 02/076027-03 en 02/071056-03; - een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 11 december 2003, nummer 02/076527-03 en - een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 6 mei 2004, nummer 02/076784-03, ingediend door mr. M. Kleingeld, advocaat te Tilburg, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd De Politierechter heeft de aanvrager onder parketnummers 02/076027-03 en 02/071056-03 ter zake van "diefstal" gepleegd op 25 juli 2003 en "diefstal, meermalen gepleegd", gepleegd op 6 augustus 2003, veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. De Politierechter heeft de aanvrager onder parketnummer 02/076527-03 ter zake van "diefstal", gepleegd op 24 oktober 2003, veroordeeld tot een week gevangenisstraf. De Politierechter heeft de aanvrager onder parketnummer 02/076784-03 ter zake van "diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren", gepleegd op 22 november 2003, veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf. 2. De aanvrage tot herziening 2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. In de aanvrage wordt aangevoerd dat er sprake is van een persoonsverwisseling. De broer van de aanvrager zou zich hebben uitgegeven voor de aanvrager. Ter staving hiervan worden verklaringen van getuigen overgelegd. 3. De conclusie van de Advocaat-Generaal De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraken zal bevelen en de zaken zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaken zullen worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien. 4. Beoordeling van de aanvrage 4.1. Als bijlage bij de aanvrage zijn onder meer gevoegd: - een proces-verbaal van bevindingen, PL 2066/03-156309, op 9 november 2005 opgemaakt door [verbalisant 1], agente van politie Midden en West Brabant, waarin deze verklaart dat zij op 25 juli 2003 iemand heeft opgehaald die verdacht werd van winkeldiefstal te Tilburg. Nadien, in november 2005, is haar verzocht twee foto's te bekijken. Op een van de foto's herkende zij voor 100 procent de persoon die op 25 juli 2003 was aangehouden, welke persoon bleek te zijn [betrokkene 1]. De persoon op de andere foto, de aanvrager, had zij nog nooit eerder gezien; - proces-verbaal van verhoor, PL 2066/03-156309, op 9 november 2005 opgemaakt door [verbalisant 1] (voornoemd) waarin [getuige 1] verklaart over een winkeldiefstal van 25 juli 2003. [Getuige 1] heeft de winkeldief aangehouden en overgedragen aan de politie. Hem is een foto getoond van de aanvrager. [Getuige 1] herkende de aanvrager als degene die nadien met zijn vriendin in de winkel is geweest en aan wie [getuige 1] toen heeft gezegd dat hij hem niet van de diefstal herkent; - een proces-verbaal van verhoor, PL 2066/03-156309, op 9 november 2005 opgemaakt door [verbalisant 1] (voornoemd) inhoudende de verklaring van [getuige 2], waarin zij te kennen geeft dat de jongen die nadien met zijn vriendin in de winkel is geweest, een ander was dan degene die de winkeldiefstal op 25 juli 2003 heeft gepleegd; - een proces-verbaal van verhoor, PL 2067/03-266429, op 30 december 2004 opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagente van politie Midden en West Brabant, inhoudende de verklaring van de vriendin van de aanvrager, [betrokkene 2], waarin zij aangeeft dat er sprake is van een persoonsverwisseling en dat de broer van de aanvrager degene is geweest die de feiten van 22 november 2003, 24 oktober 2003, 25 juli 2003 en 6 augustus 2003 heeft gepleegd; - een proces-verbaal van verhoor, PL 2067/03-266429, op 30 december 2004 opgemaakt door [verbalisant 2] (voornoemd) inhoudende als verklaring van [aangeefster], aangeefster van de op 22 november 2003 gepleegde diefstal (het betrof diefstal van een trui op het Koningsplein te Tilburg), dat zij van de foto van [betrokkene 1] de dader herkent van die diefstal. De persoon die is afgebeeld op de door de vriendin van de aanvrager ter beschikking gestelde foto van de aanvrager is haar onbekend; - een proces-verbaal van verhoor, PL 2067/03-266429, op 30 december 2004 opgemaakt door [verbalisant 2] (voornoemd) waarin [getuige 3], een collega van [aangeefster], de verklaring van deze [aangeefster] bevestigt; - een proces-verbaal van verhoor, PL 2066/03-266429, op 26 april 2004 opgemaakt door [verbalisant 3], agent van politie Midden en West Brabant, waarin [betrokkene 1], de broer van de aanvrager, toegeeft dat hij de diefstal van 24 november 2003 (de Hoge Raad leest: 22 november), van een trui op het Koningsplein te Tilburg, kan hebben gepleegd en daarbij de naam van zijn broer, de aanvrager, kan hebben opgegeven. 4.2. De inhoud van de hiervoor onder 4.1 vermelde stukken geeft steun aan de stelling waarop de aanvrage berust, te weten dat in de zaken die leidden tot de uitspraken waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van een persoonsverwisseling. 4.3. Een en ander levert het ernstige vermoeden op dat de Politierechter, ware deze met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend geweest, de aanvrager van de hem tenlastegelegde feiten zou hebben vrijgesproken. 5. Slotsom Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de aanvrage tot herziening gegrond; Beveelt voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormelde vonnissen van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 14 oktober 2003, 11 december 2003 en 6 mei 2004; Verwijst de zaken naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaken op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 juli 2006.