
Jurisprudentie
AX6455
Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5544 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5544 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing WUV-uitkering en de voorziening van huishoudelijke hulp omdat medische klachten niet in verband worden gebracht met de vervolging.
Uitspraak
05/5544 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (België) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 29 juli 2005, kenmerk JZ/E70/2005, door verweerster ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellante is, zoals vooraf was aangekondigd, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, geboren [in] 1927 te Batavia in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2004 bij verweerster op grond van de Wet een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde, toekenning van een periodieke uitkering en de voorziening van huishoudelijke hulp voor vier uur per week. In dit verband heeft appellante gesteld dat zij gezondheidsklachten heeft die verband houden met haar internering van tweeëneenhalf jaar in het kamp Lampersari te Semarang.
Bij besluit van 15 april 2005, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster appellante als vervolgde erkend doch de aanvraag voor het overige afgewezen. Daartoe is overwogen dat haar causaal aanvaarde psychische klachten niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. De klachten van appellante met betrekking tot haar suikerziekte, rug, knie en longen kunnen volgens verweerster niet in verband worden gebracht met de vervolging, omdat zij door andere oorzaken zijn ontstaan.
Appellante heeft zich met dat besluit niet kunnen verenigen. In beroep heeft zij haar standpunt herhaald dat - zakelijk weergegeven - haar rugklachten in het kamp zijn ontstaan door het zware sjouwwerk dat zij moest verrichten, alsmede door het planten van rijststekjes waarbij dagen achtereen urenlang gebukt moest worden gewerkt. Met betrekking tot haar astmaklachten heeft appellante aangegeven dat die klachten zijn ontstaan nadat zij bijna aan difterie was overleden.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, in rechte stand kan houden.
De Raad stelt vast dat het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster in overeenstemming is met het advies van de geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas, van 6 april 2005 en van de geneeskundig adviseur, de arts G.L.G. Kho, van 15 juli 2005.
De geneeskundig adviseur Maas heeft appellante op 10 maart 2005 aan een uitgebreid medisch onderzoek onderworpen; voorts is informatie ingewonnen bij de appellante behandelend (huis-)arts. Met betrekking tot de psychische klachten is uit dat onderzoek naar voren gekomen dat in diagnostisch opzicht gesproken kan worden van een angststoornis met PTSS-kenmerken waarbij het causale verband met de vervolging duidelijk is. Nu appellante blijkens de sociale anamnese zelf geen beperkingen heeft aangegeven in haar sociaal functioneren en zij ook geen beperkingen heeft aangegeven in concentratie, tempo, volharding en stress-adaptatie, heeft de geneeskundig adviseur geconcludeerd dat er bij appellante geen sprake is van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. Met betrekking tot de rugklachten heeft appellante aangegeven dat zij daarmee normaal in het werk en in de huishoudelijke activiteiten heeft gefunctioneerd en in haar vrije tijd heeft getennist. Volgens de geneeskundig adviseur worden de huidige rugklachten van appellante veroorzaakt door degeneratieve verschijnselen die bij appellantes leeftijd passen. Ten aanzien van de longklachten heeft de geneeskundig adviseur vastgesteld dat sprake is van een astmatische bronchitis bij stofallergie op basis van atopie welke in beginsel constitutioneel is bepaald en welke bij appellante onder invloed van spanningen verergert. Een oorzakelijk verband met de vervolging wordt door de geneeskundig adviseur niet aanwezig geacht.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van de hierboven genoemde adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. De Raad heeft in de hem ter beschikking staande medische gegevens - waaronder de hierboven vermelde informatie van de appellante behandelend (huis-)arts - geen aanknopingspunt gevonden om de juistheid van de in die adviezen neergelegde medische oordelen te betwijfelen.
Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.
Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.

