
Jurisprudentie
AX6470
Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5818 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5818 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering erkenning als burgeroorlogsgetroffene omdat bij betrokkene geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsletsel.
Uitspraak
05/5818 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 19 augustus 2005, kenmerk JZ/Z70/2005, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door L. Seriese en E. Seriese als raadsvrouwen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, geboren [in] 1937 in het voormalige Nederlands Indië, heeft in september 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te komen voor onder meer een periodieke uitkering. Zij heeft die aanvraag gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen en met name haar internering in het kamp Barongan C tijdens de Bersiap-periode en de zware werkzaamheden die zij toen heeft moeten verrichten.
In verband met deze aanvraag heeft verweersters geneeskundig adviseur G.J. Laatsch appellante onderzocht en op basis van informatie verkregen uit de behandelende sector alsmede op basis van eigen onderzoeksgegevens geconcludeerd dat ten aanzien van de lichamelijk klachten van appellante geen verband met de oorlogsomstandigheden kan worden aangenomen en dat haar psychische klachten wel in verband zijn te brengen met de oorlogsomstandigheden maar haar slechts in lichte mate beperken. Op grond van deze bevindingen heeft hij geconcludeerd dat er bij appellante geen sprake is van psychisch en/of lichamelijk letsel ten gevolge van haar oorlogservaringen met blijvende invaliditeit tot gevolg.
In het voetspoor van deze geneeskundig adviseur heeft verweerster bij besluit van 25 februari 2005 de aanvraag van appellante afgewezen. Hierbij is overwogen dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet (haar internering in het kamp Barongan C), maar dat zij niet kan worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet omdat bij haar geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsletsel. Dit standpunt heeft verweerster na door appellante gemaakt bezwaar in navolging van haar geneeskundig adviseur bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.
Appellante kan zich met het door verweerster ingenomen standpunt niet verenigen. Zij heeft daartoe met name aangevoerd dat het onderzoek door de arts Laatsch onvoldoende inzicht heeft geboden in de psychische problematiek van appellante in combinatie met haar typisch met de Indische cultuur samenhangende “weglachen “ van problemen. Voorts kan appellante zich niet verenigen met verweersters standpunt met betrekking tot haar nekklachten, die verweerster niet met de oorlogservaringen in verband ziet staan. Appellante zelf ziet haar nekklachten samenhangen met het feit dat zij in het kamp onder meer met emmers water heeft moeten sjouwen.
De Raad overweegt als volgt.
Verweerster heeft geen aanleiding gezien appellante te onderwerpen aan een psychiatrisch onderzoek en de Raad kan verweerster in deze opvatting volgen, nu daartoe noch uit het vanwege verweerster verrichte onderzoek, noch uit van de huisarts verkregen inlichtingen aanwijzingen zijn verkregen.
De Raad heeft voorts geen reden te twijfelen aan de juistheid van het door de arts Laatsch uit de mond van appellante opgetekende feitelijke beeld van haar dagelijkse functioneren. Dit feitelijke beeld laat slechts lichte beperkingen zien die appellante in haar dagelijks functioneren ondervindt ten gevolge van haar met de oorlogservaringen samenhangende psychische klachten en met name de daarvan deel uitmakende slaapproblemen. Bezien naar de door verweerster in dit verband gehanteerde rubrieken geven deze psychische klachten niet zo veel beperkingen dat sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet.
Ten aanzien van de nekklachten zijn van de zijde van appellante geen medische gegevens in het geding gebracht die aanknopingspunten geven aan de juistheid van verweersters oordeel te twijfelen. Op grond van de voorhanden medische informatie ziet de Raad voldoende onderbouwing aanwezig voor verweersters standpunt dat de thans bij appellante aanwezige nekklachten niet in verband te brengen zijn met het sjouwen in het kamp. De Raad acht daartoe doorslaggevend dat eerst vanaf 1969 in de medische stukken melding wordt gemaakt van nekklachten, toen appellante al ongeveer 15 jaar het zware beroep van verpleegster uitoefende en dat een in 1988 gemaakte röntgenfoto, blijkens de weergave door de huisarts, geen van leeftijdgenoten afwijkend beeld liet zien.
Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.

