
Jurisprudentie
AX6482
Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6415 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6415 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Terugvordering teveel betaalde WUV-uitkering in verband met inkomsten ingevolge de Wet buitengewoon pensioen.
Uitspraak
05/6415 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 oktober 2005, kenmerk JZ/U80/2005, te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Appellant is daar in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1938, gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde ingevolge de Wet.
In het kader van de definitieve berekening van appellants periodieke uitkering over het jaar 2003 is verweerster gebleken dat bij de voorlopige berekening van die uitkering ten onrechte geen rekening was gehouden met appellants inkomsten als pensioengerechtigde ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp). Dit heeft bij, voor het jaar 2003 definitieve, berekeningsbeschikking van 30 september 2004, en het daarbij behorende nader bericht van 1 oktober 2004, geleid tot een negatieve bijstelling van de over 2003 voorlopig berekende periodieke uitkering en tot terugvordering van het over dat jaar aan periodieke uitkering teveel betaalde bedrag middels verrekening met een aan appellant toekomende bijzondere voorziening.
Onder verwijzing naar het dwingende karakter van artikel 59a van de Wet heeft verweerster het door appellant tegen deze terugvordering ingediende bezwaar bij besluit van 26 november 2004 ongegrond verklaard.
Het beroep van appellant tegen dit besluit is door de Raad bij zijn uitspraak van 8 december 2005, nr. 04/7306 WUV, eveneens ongegrond verklaard.
Bij de voor het jaar 2004 definitieve berekeningsbeschikking van 31 juli 2005 en het daarbij behorende nader bericht van
25 juli 2005 heeft verweerster vervolgens, nog steeds in verband met het ten onrechte geen rekening houden met appellants inkomsten ingevolge de Wbp, de voorlopig berekende periodieke uitkering over 2004 bijgesteld en het over dat jaar aan periodieke uitkering teveel betaalde bedrag teruggevorderd tot een bedrag van € 660,71.
Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
In dit geding is aan de orde de vraag of, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
De Raad beantwoordt die vraag op grond van de navolgende overwegingen bevestigend.
De Raad heeft bij zijn hierboven genoemde uitspraak van 8 december 2005 onder meer overwogen dat ingevolge
artikel 59a, eerste en tweede lid, van de Wet de administratieve uitwerking van een beschikking van verweerster in een berekeningsbeschikking een voorlopig karakter draagt en deze in het kalenderjaar volgend op het jaar waarin die berekeningsbeschikking is afgegeven definitief wordt vastgesteld. De Raad heeft voorts overwogen dat hetgeen na definitieve vaststelling blijkt teveel te zijn uitbetaald dient te worden teruggevorderd. De Raad heeft vastgesteld dat de definitieve vaststelling van de aan appellant over het jaar 2003 toekomende periodieke uitkering overeenkomstig deze bepalingen had plaatsgevonden en dat, nu uit die vaststelling bleek dat aan appellant teveel was uitbetaald, daarmee voor verweerster de verplichting ontstond om tot terugvordering van het teveel betaalde over te gaan.
Het vorenstaande geldt eveneens met betrekking tot het thans aan de orde zijnde besluit van verweerster.
De Raad voegt hieraan, naar aanleiding van hetgeen appellant op dit punt heeft aangevoerd, nog toe dat, ook indien ten onrechte uitkering wordt verstrekt, die uitkering als “teveel betaald” moet worden teruggevorderd.
De Raad merkt ten slotte nog op dat ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep kan worden ingesteld tegen een besluit van verweerster, maar dat gedragingen of bejegeningen van de kant van verweerster op zich zelf niet in het kader van een procedure bij deze Raad ter beoordeling kunnen worden voorgelegd.
Het beroep kan mitsdien niet slagen.
De Raad acht voorts geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.

