Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX6492

Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5222 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aanvraag vervolgingsslachtoffer van voorziening ter zake van fysiotherapie met bijbehorende oefentherapie in verband met gewrichtsklachten.


Uitspraak

05/5222 WUV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 18 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft M. Veenstra, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand, beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 11 juli 2005, kenmerk JZ/P70/2005, door verweerster ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Aldaar is met voorafgaand bericht appellant noch zijn gemachtigde verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Blijkens de stukken heeft appellant, die is erkend als vervolgde en uitkeringsgerechtigde is in de zin van de Wet, bij vervolgaanvraag van november 2004 aan verweerster een voorziening gevraagd ter zake van fysiotherapie met bijbehorende oefentherapie in verband met gewrichtsklachten. Verweerster heeft bij besluit van 22 februari 2005 deze aanvraag afgewezen onder overweging dat de knieklachten van appellant niet voortvloeien uit de vervolging. Het daartegen gemaakte bezwaar, waarbij appellant onder meer heeft aangegeven dat hij inmiddels fysiotherapie heeft in de vorm van “cardio-fitness” in verband met een hartinfarct, heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard op de grond dat de gevraagde voorziening voor fysiotherapie (cardio-fitness) in verband staat met niet uit de vervolging voortvloeiende hartklachten van appellant. Appellant kan zich in beroep met dat besluit niet verenigen. Hij voert - kort gezegd - aan dat zijn hartklachten met toepassing van de zogenoemde omgekeerde bewijslast moeten worden aanvaard als staande in het door de Wet vereiste verband met de vervolging. De Raad overweegt als volgt. De aanvraag van appellant van november 2004 was gericht op het verkrijgen van een voorziening in verband met zijn gewrichtsklachten, in het bijzonder knieklachten. In het kader van de behandeling van deze aanvraag is gebleken dat appellant inmiddels door zijn huisarts vanwege een in januari 2005 geconstateerd licht hartinfarct naar zijn behandelend fysiotherapeut was verwezen voor het volgen van “cardio-fitness”. Een aanvraag om een voorziening met betrekking tot deze vorm van therapie lag echter nog niet voor, zodat het primair door verweerster genomen besluit van 22 februari 2005 terecht slechts betrekking had op de fysiotherapie voor knieklachten. Bij het bestreden besluit is, zoals ter zitting van de kant van verweerster is meegedeeld, impliciet het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van laatstbedoelde fysiotherapie ongegrond verklaard. Hiertegen is het beroep van appellant echter niet gericht. De Raad stelt voorts vast dat het bestreden besluit, voor zover daarbij - naar aanleiding van hetgeen in bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2005 is aangevoerd - de voorziening inzake de “cardio-fitness” is afgewezen, een primair genomen besluit behelst, waartegen ingevolge artikel 44 van de Wet in verbinding met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar dient te worden gemaakt alvorens beroep op een administratieve rechter in te stellen. Nu het beroep slechts is gericht tegen deze afwijzing moet dat niet-ontvankelijk worden geacht. De Raad zal het beroepschrift ingevolge artikel 6:15 van de Awb aan verweerster doorzenden ten einde het als bezwaarschrift tegen het besluit van 11 juli 2005 in behandeling te doen nemen. Nu verweerster bij het bestreden besluit heeft aangegeven dat tegen het gehele besluit beroep kon worden ingesteld bij deze Raad, acht de Raad termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proces-kosten van appellant tot een bedrag van € 322,-- aan kosten van rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep gericht tegen de bij het bestreden besluit gegeven beslissing ter zake van de voorziening “cardio-fitness” niet ontvankelijk; Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad; Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) J.P. Schieveen.