Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX6498

Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6036 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing van het verzoek van vervolgingsslachtoffer om de vergoeding voor huishoudelijke hulp uit te breiden tot 8 uur per week.


Uitspraak

05/6036 WUV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (Frankrijk), (hierna: appellante), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 18 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 6 juli 2005, kenmerk JZ/W70/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Appellante is daar niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Blijkens de gedingstukken is appellante, die is geboren in 1939 en tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië geïnterneerd is geweest, erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Daarbij is aanvaard dat de psychische klachten en de gebitsproblematiek van appellante in verband staan met de door haar ondergane vervolging. Nadat verweerster bij besluit van 5 april 1995 een voorziening ter zake van huis-houdelijke hulp had afgewezen, aangezien zij de noodzaak voor deze voorziening in het kader van de uit de vervolging voortvloeiende ziekten of gebreken medisch en/of medisch-sociaal niet aanwezig achtte, heeft zij na tegen dat besluit gemaakt bezwaar aan appellante alsnog in verband met haar psychische klachten ingaande 1 juni 1994 vergoeding verleend ter zake van de kosten verbonden aan extra huishoudelijke hulp, eenmaal per week een halve dag. In november 2004 heeft appellante zich tot verweerster gewend met het verzoek de vergoeding voor huishoudelijke hulp uit te breiden tot 8 uur per week, Zij heeft daarbij, onder toezending van medische gegevens, aangegeven dat zij in verband met versleten rugwervels niet meer in staat is tot het verrichten van het zwaardere huishoudelijke werk. Verweerster heeft dit verzoek bij besluit van 1 maart 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op advies van haar geneeskundig adviseur afgewezen op de grond dat deze voorziening niet medisch noodzakelijk is op grond van haar uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten. Verweerster heeft daarbij overwogen dat gelet op het bij appellante aanwezige activiteitenpatroon niet gebleken is dat er bij appellante ten gevolge van haar psychische klachten sprake is van een chaotisch gedrag ten aanzien van het huishouden dan wel van (zelf)verwaarlozing. Met betrekking tot de rug- en gewrichtsklachten van appellante is verweerster van mening, dat deze niet in verband staan met de ondergane vervolging maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Verweerster heeft hierbij in het bijzonder overwogen dat zij al eerder heeft geoordeeld dat de rugklachten van appellante degeneratief zijn bepaald en dat niet is gebleken dat er thans sprake is van andere gewrichtsklachten dan die reeds eerder als niet in verband staande met de vervolging zijn geoordeeld. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Appellante betwist in beroep dat haar rugklachten niet zouden samenhangen met de vervolging, dat wil zeggen met een gebrek aan juiste en voldoende voedingsstoffen tijdens haar verblijf in het kamp. Voorts kan appellante zich er niet mee verenigen dat zij pas als sprake is van chaotisch gedrag in aanmerking zou komen voor uitbreiding van huishoudelijke hulp. Wat dit laatste betreft heeft de gemachtigde van verweerster ter zitting opgemerkt dat verweerster bij aanwezigheid van causale psychische klachten als uitgangspunt hanteert dat toekenning van huishoudelijke hulp voor meer dan vier uur per week slechts plaats vindt indien sprake is van structurele (zelf)verwaarlozing dan wel chaotisch gedrag. De Raad heeft in eerdere soortgelijke gevallen het even genoemde uitgangspunt aanvaard als passend bij een juiste en redelijke toepassing van artikel 20 van de Wet. Naar appellante zelf aangeeft is daarvan in haar geval geen sprake. Verweerster heeft dan ook terecht geoordeeld dat de psychische klachten van appellante geen grond opleveren voor toekenning van de gevraagde voorziening. De Raad overweegt voorts dat uit de stukken blijkt dat inderdaad in het verleden reeds door een geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad is geoordeeld dat klachten van rug, linkerschouder en linker knie van appellante eerst in 1994 door andere oorzaken dan de vervolging zijn ontstaan. Dit is overigens, voor zover uit de beschikbare gedingstukken af te leiden, aan appellante niet uitdrukkelijk bij een besluit kenbaar gemaakt. Met betrekking tot de bij de hier aan de orde zijnde aanvraag naar voren gebrachte rugklachten is de geneeskundig adviseur van verweerster, mede op basis van de door appellante zelf toegezonden gegevens van de haar behandelend artsen, van oordeel dat die klachten onder meer het gevolg zijn van artrotische verschijnselen en degeneratief bepaald zijn. Een relatie tussen de klachten en de ondergane vervolging acht hij niet aanwezig. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanwijzingen gevonden die tot een ander standpunt zouden moeten leiden. De geneeskundig adviseurs van verweerster hebben voorts kennelijk in de verkregen informatie geen aanleiding gevonden appellante zelf nog weer aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. De Raad ziet, gelet op het feit dat de geneeskundige dienst van verweerster reeds de beschikking had over een medisch dossier van appellante en door appellante in het bezit was gesteld van actuele informatie betreffende haar rugklachten, geen grond de handelwijze van verweersters adviseurs als onzorgvuldig aan te merken. Het vorenstaande betekent dat de Raad geen grond aanwezig acht het bestreden besluit niet in stand te laten. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) J.P. Schieveen.