Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX6502

Datum uitspraak2006-06-01
Datum gepubliceerd2006-06-01
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers342858 / KG 06-914 SR
Statusgepubliceerd


Indicatie

Eiser verzoekt te worden toegelaten als presentator van het televisieprogramma 'Wie is de Mol?' van de AVRO.


Uitspraak

SR/JdS vonnis 1 juni 2006 RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING VONNIS i n d e z a a k m e t nummers 342858 / KG 06-914 SR v a n: 1. de besloten vennootschap [eiser1]., gevestigd te [woonplaats], 2. [eiser2], wonende te [woonplaats], e i s e r s bij conceptdagvaarding, procureur mr. F.B.J. Grapperhaus, t e g e n : de vereniging ALGEMENE OMROEPVERENIGING AVRO, gevestigd te Hilversum, g e d a a g d e, procureur mr. D.J. Rutgers, vrijwillig verschenen. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Ter terechtzitting van 24 mei 2006 hebben eisers, verder ook te noemen [eiser1]. en [eiser2], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte conceptdagvaarding. Gedaagde, verder te noemen AVRO, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. De behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden tot 1 juni 2006, op welke dag de behandeling ter zitting is voortgezet. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met het spoedeisende karakter van de zaak is heden uitspraak gedaan op het deel van de vordering als opgenomen in ii van het petitum van de dagvaarding. De uitwerking van het vonnis en de beslissingen op de overige vorderingen zullen volgen op 8 juni 2006. In het vonnis van 8 juni 2006 zullen in ieder geval de volgende overwegingen worden opgenomen. GRONDEN VAN DE BESLISSSING Allereerst zal worden ingegaan op het door de AVRO opgeworpen formele punt van de ontvankelijkheid van [eiser2]. Nu [eiser2] voor zijn inkomsten voor een groot deel afhankelijk is van de werkzaamheden waarop de overeenkomst doelt en de invulling van deze overeenkomt direct invloed heeft op hem persoonlijk – niet alleen financieel maar ook voor wat betreft zijn professionele loopbaan – wordt aangenomen dat [eiser2] hoewel hij geen partij is bij de tussen [eiser1]. en de AVRO gesloten overeenkomst, een (spoedeisend) belang heeft in dit geding. De stelling van de AVRO dat [eiser2] in privé niet-ontvankelijk moet worden verklaard wordt dan ook niet gevolgd. De vraag of [eiser2] voor het televisieseizoen 2006-2007 moet worden toegelaten als presentator van het televisieprogramma “Wie is de Mol?” moet worden beantwoord in het licht van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, waarbij de voorzieningenrechter acht dient te slaan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Niet in geschil is dat partijen in de zomer van 2005 en bij de ondertekening van de nadere overeenkomst van 15 maart 2006 zijn overeengekomen dat [eiser2] mede het gezicht van de AVRO zal zijn. In de nadere overeenkomst van 15 maart 2006 hebben partijen opgenomen de intentie om, naast een verhoging van de frequentie van de presentatie van het programma “Twee Vandaag” door [eiser2], zoveel mogelijk diversiteit aan te brengen in de door hem te presenteren televisieprogramma’s. In de periode augustus 2005 en 15 maart 2006 werd aan die intentie invulling gegeven door de presentatie van het programma “Wie is de Mol?”. Uit de nadere overeenkomst kan niet zonder meer worden afgeleid dat is afgesproken dat [eiser2] dit programma ook in opvolgende televisieseizoenen zal presenteren. Voorshands is echter wel aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat een redelijke uitleg van de overeenkomst medebrengt dat [eiser1]. van de AVRO mag verwachten dat zij voor de duur van de overeenkomst zich blijft inzetten voor diversiteit van de door [eiser2] te presenteren programma’s, naast het programma “Twee Vandaag” en de AVRO heeft moeten begrijpen dat zij deze verplichting heeft . Gezien de verplichting van de AVRO om een dergelijk programma aan te bieden, het feit dat de AVRO tot op heden nog niet met een concreet voorstel is gekomen, terwijl de besprekingen daarover volgens de overeenkomst van 21 juni 1999 in april dienden plaats te vinden, en het presenteren van het programma ”Wie is de Mol? ” nog tot de mogelijkheden behoort, brengt de redelijkheid en de billijkheid die partijen jegens elkaar dienen te betrachten in beginsel mee dat voor het seizoen 2006-2007 [eiser2] moet worden toegelaten als presentator van het programma “Wie is de Mol?”. Wanneer ervan uit zou moeten worden gegaan dat het voorgaande anders wordt wanneer een en ander onaanvaardbare financiële consequenties voor de AVRO zou hebben, leidt dat niet tot een ander oordeel nu eisers zich onvoorwaardelijk bereid hebben verklaard voor 2006 af te zien van claims op grond van de tussen partijen overeengekomen bindende adviesprocedure ter beantwoording van de vraag of sprake is van een verzwaring van de werklast. De hieronder gegeven veroordeling heeft geen financiële consequenties voor de AVRO. Derhalve zal vordering ii worden toegewezen als volgt. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Het voorgaande laat overigens onverlet dat partijen op korte termijn, dat wil zeggen vóórdat met de werkzaamheden voor ”Wie is de Mol?” moet worden begonnen, een alternatief kunnen overeenkomen BESLISSING IN KORT GEDING De voorzieningenrechter: 1. Veroordeelt de AVRO na betekening van dit vonnis om [eiser2] toe te laten als presentator van het door de AVRO uit te zenden televisieprogramma “Wie is de Mol?” voor het seizoen 2006-2007, op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- per dag met een maximum van € 100.000,--. 2. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. 3. Houdt iedere verdere beslissing aan. Gewezen door de vice-president mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 1 juni 2006, in tegenwoordigheid van de griffier. Coll.: