
Jurisprudentie
AX6505
Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6054 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6054 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing erkenning als burgeroorlogsslachtoffer omdat geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet ten gevolge van oorlogsgeweld.
Uitspraak
05/6054 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 6 oktober 2005, kenmerk JZ/I/70/2005, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Voor appellant is daar verschenen mr J.C.M. van Berkel. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die in 1939 is geboren, heeft in juni 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om krachtens de Wet erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.
Appellant heeft deze aanvraag gebaseerd op de omstandigheid dat hij psychische klachten en maagklachten heeft welke hij wijt aan hetgeen hem tijdens de Duitse bezetting is overkomen. Uit het zijn aanvraag begeleidende sociaal rapport komt naar voren dat hij in 1941 door de kinderbescherming in een door kloosterlingen geleid weeshuis te Roermond is geplaatst, dat dit klooster bij een van de bombardementen op die stad is getroffen en dat zij nadien naar Friesland zijn geëvacueerd. Na de oorlog is hij, tot hij 21 jaar werd, bij pleeggezinnen en in een internaat ondergebracht.
Verweerster heeft het verzoek van appellant bij haar besluit van 26 april 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, afgewezen. Verweerster heeft daarbij weliswaar erkend dat appellant direct betrokken is geweest bij een bombardement op het weeshuis, dat hij de evacuatie uit Roermond en de zich daarbij voorgedaan hebbende beschietingen op de trein heeft meegemaakt, zodat hij is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet, maar verweerster heeft zich tevens op het standpunt gesteld, zich hierbij baserend op de adviezen van haar geneeskundig adviseurs, dat er geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet ten gevolge van dat oorlogsgeweld.
Verweerster heeft daarbij - kort gezegd - overwogen dat de oorlogsgerelateerde psychische klachten van appellant nauwelijks een rol spelen in zijn psychische problematiek en dat appellants persoonlijkheidsproblematiek, waarmee onder meer zijn depressieve stoornis samenhangt, toegeschreven dient te worden aan ernstige affectieve verwaarlozing en seksueel misbruik in zijn jeugd.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet wordt voor de toepassing van deze wet onder burger- oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen bij met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden dan wel door of in verband met handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht, tengevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden.
In het geval van appellant is in geding de vraag of het psychisch letsel waarvan bij hem sprake is, het gevolg is van de door hem meegemaakte, onder de werking van artikel 2 van de Wet te brengen oorlogsgebeurtenissen.
Verweersters besluit is gebaseerd op een tweetal adviezen van haar geneeskundig adviseurs, waaraan onder meer ten grondslag ligt een medisch rapport van 14 april 2005 van een van hen, de arts G. Kho, die appellant op 11 april 2005 heeft onderzocht. Deze arts is op basis van zijn onderzoek en de door hem verkregen informatie van behandelend artsen van appellant tot de conclusie gekomen dat de lichamelijke klachten van appellant niet in het door de Wet vereiste verband met de door verweerster aanvaarde oorlogs-calamiteiten staan en dat de oorzaak van zijn vroegere en huidige psychopathologie gelegen is in de affectieve en pedagogische verwaarlozing van appellant tijdens en na de bezetting. Het aandeel van de geverifieerde calamiteiten in die psychopathologie acht hij nihil. De herinneringen aan de bombardementen en het paniekgevoel - eenmaal per maand wanneer de sirenes gaan - zijn naar zijn mening niet zodanig ernstig dat ze geleid hebben tot beperkingen in het functioneren.
Naar aanleiding van een daarmee verband houdende opmerking van de gemachtigde van appellant is van de kant van verweerster ter zitting nog verduidelijkt dat de vermelding in het bovengenoemde rapport, dat op AS I van de DSM IV sprake is van een depressieve stoornis NAO, inhoudt dat er geen sprake is van een duidelijke depressie en dat de vermelding op
AS II, dat de diagnose is uitgesteld, betekent dat niet geheel duidelijk is in welke richting de persoonlijkheidsstoornis moet worden gezocht.
In de thans beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden het medisch oordeel waarop het bestreden besluit berust onjuist te achten. Van de kant van appellant zijn ook geen medische gegevens aangedragen die wat de aard en achtergrond van zijn psychische klachten betreft tot een ander oordeel aanleiding zouden moeten geven dan dat van de geneeskundig adviseurs van verweerster.
Nu deze hebben vastgesteld dat de psychoproblematiek van appellant duidelijk uit andere oorzaken voortkomt dan de door verweerster geverifieerde oorlogsgebeurtenissen kan een beroep op de zogenoemde omgekeerde bewijslast hier geen rol spelen. Hetzelfde geldt voor het beroep op de zogenoemde sequentiële oorlogstraumatisering (S.O.T.). Essentiële voorwaarde daarvoor is, zoals de gemachtigde van verweerster terecht heeft opgemerkt, dat de geverifieerde oorlogs- calamiteit van betekenende invloed moet zijn geweest op het ontstaan van psychoproblematiek, hetgeen volgens de artsen in het geval van appellant niet het geval is geweest. Overigens is de Raad met verweerster van oordeel dat het feit dat appellant tengevolge van de verwaarlozing door zijn ouders in een weeshuis terecht is gekomen en ook na de oorlog onder affectieve verwaarlozing heeft geleden, niet kan worden beschouwd als een persoonlijke bijzondere oorlogsgebeurtenis in het kader van de S.O.T.-beoordeling.
Gezien het vorenstaande kan het beroep van appellant niet slagen.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.

