Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX6508

Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5224 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Is betrokkene ten onrechte zonder toereikend psychiatrisch onderzoek niet aangemerkt als burgeroorlogsgetroffene?


Uitspraak

05/5224 WUBO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant) en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster). Datum uitspraak: 18 mei 2006 I PROCESVERLOOP Namens appellant is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 29 juli 2005, kenmerk JZ/E70/2005, door verweerster te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Aldaar is appellant, met voorafgaand bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Blijkens de gedingstukken heeft verweerster bij besluit van 21 oktober 1993 aanvaard dat appellant, geboren in 1932, zowel tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië als tijdens de daaropvolgende, zogenoemde Bersiapperiode op verschillende plaatsen geïnterneerd is geweest en derhalve blootgesteld is geweest aan oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van de Wet. Verweerster heeft bij dit besluit echter niet aanvaard dat appellant als gevolg van de meegemaakte oorlogsgebeurtenissen (waaronder ook de niet-bevestigde gebeurtenissen) psychisch en/of lichamelijk letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit; op grond hiervan is de door appellant gevraagde periodieke uitkering toen afgewezen. Aan dit laatste oordeel ligt ten grondslag een op verzoek van verweerster door de arts J. van der Velden ingesteld medisch onderzoek van appellant waarbij gegevens uit de behandelende sector en gegevens betreffende zijn blijvende arbeidsongeschiktverklaring door het ABP zijn betrokken. Door deze arts is, onder meer, geconcludeerd dat de longklachten van appellant - die in 1986 hebben geleid tot blijvende arbeidsongeschiktheid voor zijn arbeid als laborant - noch zijn in 1986 opgetreden hartklachten, gediagnosticeerd als een instabiele angina pectoris tengevolge van een stenose in de coronair arteriën, in het vereiste verband staan met het ondervonden oorlogsgeweld, terwijl ten aanzien van de psychische klachten geen diagnose kan worden gesteld. Een tegen dit besluit ingediend bezwaar is bij besluit van 14 september 1994 niet-ontvankelijk verklaard. In januari 2004 heeft appellant zich wederom gewend tot verweerster met een aanvraag om, onder meer, een periodieke uitkering op grond van de Wet. Hierbij heeft appellant aangevoerd dat zijn eerder al gemelde psychische klachten in ernst zijn toegenomen. Ingevolge deze aanvraag heeft verweerster appellant wederom aan een medisch onderzoek doen onderwerpen. Bij dit door de arts J. Hansma op 29 juli 2004 ingestelde onderzoek zijn de bij de beoordeling van de eerdere aanvraag van appellant al vergaarde medische gegevens en actuele gegevens uit de behandelende sector betrokken. In het van dit onderzoek opgestelde rapport is aangegeven dat de psychische klachten van appellant, die vooral worden gekenmerkt door angst en onrust ten tijde van aanvallen van hartritme-stoornissen en de angst dat ze weer zullen optreden en door rouwverwerking tengevolge van het verlies van zijn echtgenote, voor hem niet leiden tot zodanige beperkingen in het leven van alledag dat hij geacht moet worden te zijn geïnvalideerd. Op basis hiervan heeft verweerster de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 30 augustus 2004, op de grond dat bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit door het ondervonden oorlogsgeweld. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Bij schrijven van 30 december 2004 heeft appellant aan verweerster doen toekomen gegevens omtrent zijn blijvende arbeidsongeschiktverklaring door het ABP en op basis daarvan aan verweerster verzocht om haar afwijzende beslissing van 30 augustus 2004 te herzien. In zijn in januari 2005 bij verweerster ingediende, zogenoemde Opgave gezondheidsklachten heeft appellant aangegeven dat zijn psychische klachten zijn verergerd maar daarbij met name weer gewezen op zijn angst vanwege zijn hartkloppingen. Verweerster heeft hierin, overeenkomstig uitgebracht medisch advies, bij besluit van 15 april 2005 geen aanleiding gezien om alsnog te aanvaarden dat bij appellant sprake is blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. In bezwaar tegen dit besluit is namens appellant nogmaals gewezen op de stukken van het ABP en op zijn mede door de hartklachten veroorzaakte angsten, in verband waarmee de huisarts medicamenten heeft voorgeschreven. Naar aanleiding hiervan heeft verweersters geneeskundig adviseur, de arts I.P.L. Koperberg, nadere inlichtingen ingewonnen bij de huisarts van appellant. In de vervolgens verkregen informatie heeft de geneeskundig adviseur - hoewel in het bericht van de huisarts voor het eerst melding wordt gemaakt van oorlogsgerelateerde psychische klachten - onvoldoende aanknopingspunt gevonden om nu wel aan te nemen dat sprake is van dusdanige beperkingen als gevolg van de psychische klachten dat deze als invaliderend in de zin van de Wet kunnen worden beschouwd. Daarbij is - samengevat - in aanmerking genomen dat niet blijkt van verschillen ten opzichte van de situatie ten tijde van het recentelijk uitgevoerde medisch onderzoek waarbij de psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen uitgebreid aan bod zijn gekomen, noch van een wijziging in de voorgeschreven medicatie. Voorts is aangegeven dat de hartklachten een organisch lijden betreffen. Overeenkomstig dit advies heeft verweerster bij het nu in beroep bestreden besluit het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat bij appellant weliswaar thans sprake is van psychische klachten die deels aan de oorlogservaringen zijn te relateren maar dat deze niet dusdanige beperkingen opleveren in zijn dagelijks functioneren dat gesproken kan worden van blijvende invaliditeit. Voorts is overwogen dat de lichamelijke klachten van appellant, te weten de long-, maag-, en hartklachten niet gerelateerd kunnen worden aan de oorlogservaringen maar duidelijk andere oorzaken hebben, terwijl de klachten aan de scheenbenen, die een gevolg kunnen zijn van ”Engelse ziekte”, in ieder geval niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit. In beroep is namens appellant naar voren gebracht, kort samengevat, dat verweerster ten onrechte, en in ieder geval zonder toereikend psychiatrisch onderzoek, de psychische klachten van appellant – waaronder de psychogeen te achten hartkloppingen – niet heeft aangemerkt als invaliderend in de zin van de Wet. In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag op grond van de navolgende overwegingen bevestigend. Voorop staat dat appellant betrekkelijk kort voor de huidige aanvraag zijdens verweerster, in het kader van een toen ingediende soortgelijke aanvraag, aan een medisch onderzoek is onderworpen waarbij de psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen in het leven van alledag uitgebreid aan bod zijn gekomen. Op basis van de resultaten van dat onderzoek is - zoals hiervoor al is vermeld - de toenmalige aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 30 augustus 2004, in welk besluit appellant heeft berust. Het voorgaande brengt, gelet ook op het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over herhaalde aanvragen, mee dat verweerster - nog daargelaten de belasting die dit ook voor appellant zelf zou meebrengen - niet zonder meer gehouden kan worden geacht om appellant zo kort na het vorige onderzoek wederom aan een specifiek medisch onderzoek te doen onderwerpen. De Raad acht aanvaardbaar dat verweerster eerst heeft doen nagaan of er wel voldoende aanwijzingen waren om een plotselinge verslechtering van de psychische gezondheid en/of de levensomstandigheden van appellant te vermoeden. De stukken van het ABP die appellant bij zijn inleidend verzoek van 30 december 2004 had gevoegd bevatten voor een zodanig vermoeden al daarom geen grondslag nu deze stukken bij verweerster al vanaf de eerste aanvraag van appellant bekend waren. Aangezien appellant in bezwaar verwees naar door zijn huisarts voorgeschreven medicatie heeft verweersters geneeskundig adviseur zich toen terecht tot hem gewend voor nadere informatie. Nu in die informatie - naar uit de gedingstukken blijkt - geen sprake is van gewijzigde en/of toegenomen behandeling of medicatie in verband met psychische klachten of van verslechterde levensomstandigheden, kon verweersters geneeskundig adviseur, en in diens voetspoor verweerster, naar 's Raads oordeel zonder verder onderzoek concluderen dat een relevante wijziging in de situatie van appellant niet aan de orde is zodat van een invalidering in de zin van de Wet nog steeds niet kon worden gesproken. Een en ander betekent dat het namens appellant ingestelde beroep niet kan slagen. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) J.P. Schieveen.