Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX6510

Datum uitspraak2006-05-11
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/5977 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hoogte vastgestelde BWOO-uitkering. Beëindiging BWOO-uitkering. Terugvordering teveel betaalde uitkering. Kosten van de behandeling van het bezwaar en proceskosten van het beroep in eerste aanleg vallen buiten de omvang van het geding.


Uitspraak

04/5977 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 oktober 2004, nr. 03/2440 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en de Universiteit [Plaatsnaam] (hierna: Universiteit) Datum uitspraak: 11 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Namens de Minister is hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.W.G. Orth, advocaat te Amsterdam, en door mr. K.I. Arts, werkzaam bij Deloitte Juridisch Adviseurs B.V. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. J.R. Zeelenberg, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Gezondheidszorg. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Na ontslag uit haar dienstbetrekkingen bij de Universiteit ontving betrokkene tot laatstelijk 1 oktober 1998 een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO). Na onderzoek en correspondentie heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) bij besluit van 2 december 2002 (besluit 1) de hoogte van de uitkering opnieuw berekend en bepaald dat de ten onrechte uitbetaalde uitkeringsgelden worden teruggevorderd. Bij besluit van 23 december 2002 (besluit 2) heeft het Uwv, namens de Universiteit, de uitkering per 15 september 1997 beëindigd. Bij besluit van 4 maart 2003 (besluit 3) heeft het Uwv, namens de Universiteit, het bedrag van de terugvordering vastgesteld op € 21.996,96. 1.2. Bij het bestreden besluit van 28 augustus 2003 heeft het Uwv, namens de Universiteit, het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat (ook) besluit 1 door het Uwv is genomen namens de Universiteit. 1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de Universiteit het door betrokkene betaalde griffierecht vergoedt. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat de oorspronkelijke besluiten tot toekenning van de BWOO-uitkering door de Minister zijn genomen en dat de bevoegdheid tot herziening en terugvordering in dit geval niet is overgegaan naar de Universiteit, doch bij de Minister is blijven berusten. Weliswaar heeft de procesgemachtigde van het Uwv tegenover de rechtbank - zowel mondeling als schriftelijk - verklaard de bestreden besluitvorming namens de Minister te bekrachtigen, doch de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat die gemachtigde daartoe bevoegd was, noch ook dat de Minister met voldoende duidelijkheid te kennen heeft gegeven dat hij de besluiten 1, 2 en 3 alsmede het bestreden besluit voor zijn rekening neemt. 2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 2.1. Bij het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hoge-scholen en onderzoekinstellingen (Stb. 1999, 528) is de bevoegdheid tot herziening en terugvordering van uitkeringen als de onderhavige aan de Minister ontnomen en aan de voormalige werkgever toegekend. Aan dit Besluit is terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 1999. 2.2. Uit 's Raads uitspraak van 8 april 2004 (LJN: AO8189) heeft de rechtbank met juistheid afgeleid dat in een geval als hier aan de orde, waarin het tijdvak waarop de herziening en de terugvordering betrekking hebben geheel is gelegen vóór 1 januari 1999, de Minister bevoegd is gebleven tot die herziening en terugvordering te besluiten en op het bezwaar tegen die besluiten te beslissen. Nu het bestreden besluit door het Uwv niet namens de Minister doch namens (het College van Bestuur van) de Universiteit is genomen, heeft de rechtbank dit besluit terecht vernietigd. Voorzover de Minister die vernietiging bestrijdt, is het hoger beroep ongegrond. 2.3. In gedingen omtrent BWOO-uitkeringen waarin het vorenstaande niet was onderkend en waarin besluiten waren genomen door of namens de voormalige werkgever, heeft de Raad aanvaard dat de Minister als partij aan het geding deelnam en dat de gemachtigde van (het Uwv namens) de Minister ook bevoegd was tot bekrachtiging van de onbevoegd genomen besluiten. De uitspraak van 8 april 2004 geeft daarvan een voorbeeld. Anders dan de rechtbank, ziet de Raad niet in dat het onderhavige geval zich niet evenzeer voor een dergelijke benadering leent. Daarbij is nog van belang dat het Uwv zowel namens de Minister als namens (het College van Bestuur van) de Universiteit was en is belast met de toepassing van de herzienings- en terugvorderingsbepalingen van het BWOO. Er moet dus veeleer worden gesproken van een gebrek in de ondertekening dan van het ontbreken van beslissingsbevoegdheid. 2.4. Het hiervóór overwogene brengt met zich dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of er, gegeven de bekrachtiging, aanleiding bestaat om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. In zoverre treft het hoger beroep doel. 2.5. Nu de rechtbank zich nog niet heeft uitgelaten over de inhoudelijke aspecten van de herziening en terugvordering, ziet de Raad aanleiding om de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen en de zaak met toepassing van artikel 26 van de Beroepswet naar de rechtbank terug te wijzen. 3. De door betrokkene in het verweerschrift alsnog gevraagde vergoeding van kosten van de behandeling van het bezwaar en proceskosten van het beroep in eerste aanleg vallen buiten de omvang van het geding in hoger beroep - zoals door de Minister ingesteld - en komen dus niet voor toewijzing in aanmerking. Indien betrokkene het ontbreken van een (proces)kostenveroordeling aan de orde had willen stellen, had zij zelf hoger beroep moeten instellen tegen de aangevallen uitspraak. 4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, acht de Raad geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarin niet is beslist omtrent het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; Wijst de zaak terug naar de rechtbank Utrecht; Stelt de door betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,-, welk bedrag is toe te rekenen aan de Staat der Nederlanden en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent vergoeding van deze kosten. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.H. van Kreveld als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.J.W. Loots.