
Jurisprudentie
AX6540
Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4512 BPW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4512 BPW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verzoek tot herziening Wbp-besluiten. Geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die verweerster tot herziening van haar eerdere besluiten hadden moeten leiden.
Uitspraak
05/4512 BPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 10 juni 2005, kenmerk 84958, door verweerster te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Aldaar is appellant in persoon verschenen met bijstand van mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, als zijn raadsman. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door haar secretaris
mr. M.P H. Nijhuis, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Tevens is als, vanwege appellant meegebrachte, getuige gehoord H. van der Woude te Lelystad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft verweerster bij besluit van 24 juni 1994 bepaald dat appellant behoort tot de deelnemers aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet. In dit verband heeft verweerster aanvaard dat appellant zich heeft beziggehouden met het verzorgen van onderduikadressen voor Joodse onderduikers, het in bewaring houden en ook elders in bewaring geven van Joodse eigendommen, het verzorgen van vervalste persoonsbewijzen ten behoeve van Joodse onderduikers en het van 19 tot en met 24 mei 1943 onderdak verlenen aan de Joodse onderduiker W. [betrokkene]. In afwijking van de opvatting van de (Centrale Hoofdbestuurscommissie van de) Stichting 1940-1945 - hierna: de Stichting - heeft verweerster toen niet willen aannemen dat het doden van [betrokkene] op 24 mei 1943 door appellant tot zijn verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet behoort. Het bezwaar dat appellant tegen laatstvermeld onderdeel van genoemd besluit indiende, heeft verweerster bij besluit van 20 januari 1995 ongegrond verklaard.
Het vervolgens tegen laatstgenoemd besluit door appellant ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 6 november 1997, nr. 95/211 BPW, ongegrond verklaard.
In juli 1998 heeft appellant zich gewend tot verweerster met het verzoek om de eerdere, hierboven genoemde besluiten te herzien, voorzover betreffende het niet aanvaarden van het doden van [betrokkene] als daad van verzet in de zin van de Wet. Hierbij is aangevoerd dat nader onderzoek nieuwe gegevens heeft opgeleverd, op grond waarvan alsnog aannemelijk moet worden geacht dat hier wel degelijk van verzet in de zin van de Wet sprake is geweest.
Dit verzoek heeft verweerster, in afwijking van een ook thans positieve verklaring van de Stichting, afgewezen bij besluit van 23 september 1998, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het nu bestreden besluit, op de grond - kort samengevat - dat geen sprake is van nieuwe feiten die aanleiding zouden moeten geven om terug te komen van haar eerdere beslissing op dit punt.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 42a van de Wet is verweerster onder meer bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien.
Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat verweerster hierbij een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat volgens vaste rechtspraak van de Raad centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.
De Raad stelt verder voorop dat de in evengenoemd artikel geregelde herzienings-bevoegdheid een bevoegdheid is die uitsluitend en alleen verweerster toekomt. Al daarom kan de in artikel 24 - welk artikel ingevolge artikel 42b in zaken als de onderhavige van overeenkomstige toepassing is - aan de Stichting toebedeelde rol in dezen niet van beslissende betekenis zijn. Bovendien heeft de Raad in vaste rechtspraak (onder meer bij een uitspraak van 14 maart 1991, nr. BPW 1988/6, JSV 1991/345, tevens opgenomen in de losbladige Kluwer editie Sociale Verzekeringen, deel 8, aantekening 4 onder artikel 24 van de Wet) aanvaard dat het verweerster bij de toepassing van artikel 24 van de Wet vrijstaat om, mits deugdelijk onderbouwd, af te wijken van een positieve verklaring van de Stichting. Deze bevoegdheid heeft de Raad in vaste jurisprudentie ontleend aan de in artikel 1 van de Wet neergelegde omschrijving van het begrip deelnemer aan het verzet, waaruit niet blijkt dat daaronder slechts worden begrepen degenen, te wier aanzien de Stichting de verklaring heeft afgegeven noch dat zij te wier aanzien de verklaring is afgegeven daardoor reeds rechtens deelnemer aan het verzet zijn (zie onder meer een uitspraak van 29 juli 1981, BPW 1979/77, niet gepubliceerd), en in gelijke zin een uitspraak van 21 augustus 1986, BPW 1984/97, AB 1987, 138). De namens appellant ingebrachte grieven over het ten onrechte niet uitbesteden van de beslissing aan een commissie van deskundigen en over het in strijd met de Wet afwijken van de verklaring van de Stichting kunnen derhalve geen doel treffen.
De Raad is voorts niet kunnen blijken van feiten waaruit een - namens appellant
gestelde - rechtens laakbare vooringenomenheid van verweerster betreffende het onderhavige verzoek om herziening valt af te leiden. Dat verweerster met de zaak van appellant al vooraf zeer goed bekend was, is inherent aan de aard van deze zaak als herzieningszaak.
Gelet op het hierboven omschreven toetsingskader is van belang dat de Raad in zijn bovengenoemde uitspraak omtrent de aan de orde zijnde gebeurtenis heeft overwogen als volgt:
"De Raad ontleent aan de stukken dat [betrokkene] op het adres [adres] te [woonplaats] woonde in een kamer die hij in onderhuur had van iemand die het appartement van J. Kerker had gehuurd.
De Raad neemt op grond van de stukken aan dat Kerker aan eiser heeft verzocht aan [betrokkene] onderdak te verlenen voor één dag, waarna [betrokkene] vervolgens naar elders zou vertrekken.
Volgens zijn verklaringen heeft eiser met het verzoek van Kerker ingestemd, ook al was zijn kamer zeker niet een geschikte onderduikplaats; op 19 mei 1943 arriveerde [betrokkene] bij eiser. Toen eiser op 20 mei vernam dat het vertrek van [betrokkene] niet kon doorgaan, heeft hij [betrokkene] het strikte consigne gegeven in de kamer te blijven en zich stil te houden. [betrokkene] voldeed daaraan niet; hij verliet de kamer en ging ook de straat op. Naar de vermaningen van eiser wilde hij niet luisteren en hij ging psychisch gestoord gedrag vertonen. Dit heeft eiser ertoe gebracht zich tot een aantal bekenden te wenden om een oplossing voor de in zijn ogen onhoudbare situatie te vinden, maar hij vond zo'n oplossing niet. In uiterste nood, aldus eiser, heeft hij op 24 mei [betrokkene] in zijn kamer doodgeslagen.
De Raad is van oordeel dat, in de in casu gegeven omstandigheden, voor de toepassing van de Wet het doden van een onderduiker niet tot het verzet van de dader in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet behoort, tenzij sprake is van een uiterste noodsituatie in objectieve zin, verband houdende met verzetsactiviteiten.
De Raad stelt aan de hand van de stukken vast dat omtrent het bestaan van een noodsituatie in de zojuist bedoelde zin geen gegevens aanwezig zijn die niet ten gronde berusten op opgaven van eiser zelf. In dit licht acht de Raad al beslissend dat geen eenduidige objectieve gegevens beschikbaar zijn over het door eiser gestelde gestoorde gedragspatroon van [betrokkene] dat de directe aanleiding voor de doodslag zou zijn geweest."
Deze overwegingen zijn het uitgangspunt voor de beoordeling van de vraag of verweerster - onder herziening van haar eerdere besluiten - thans had moeten overgaan tot het alsnog aanvaarden van het door appellant doden van [betrokkene] als daad van verzet in de zin van de Wet. In het bijzonder is hierbij dan van belang of gezegd kan worden dat nu alsnog - hetgeen de Raad in de eerdere uitspraak al van beslissende betekenis achtte - eenduidige objectieve gegevens beschikbaar zijn gekomen over het door appellant gestelde gestoorde gedragspatroon van [betrokkene] en de ten gevolge daarvan ontstane noodsituatie.
De Raad kan niet anders dan vaststellen dat dit niet het geval is. Appellant heeft zich ingespannen om nadere bijzonderheden boven tafel te krijgen over de verzetsomgeving waarin hij verkeerde en over de (strafrechtelijke) beoordeling van zijn daad door de toenmalige autoriteiten in en na de oorlog, maar nadere objectieve gegevens over het door appellant gestelde gestoorde gedragspatroon van [betrokkene] en de ten gevolge daarvan ontstane noodsituatie zijn hierbij niet naar voren gekomen.
Mitsdien bestaat geen grondslag voor de conclusie dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die verweerster tot herziening van haar eerdere besluiten hadden moeten leiden.
Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
09.05

