
Jurisprudentie
AX6543
Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6346 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6346 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
(Volledige) vergoeding van kosten in bezwaar en vergoeding immateriële schade.
Uitspraak
04/6346 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 5 oktober 2004, 04/599 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T.G.M. Gersjes, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gersjes, voornoemd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en W. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellante was vanaf 1 juli 1990 werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Bij besluit van 6 februari 2002 heeft het College appellante met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Algemene rechtstoestandverordening gemeente Eindhoven op non-actief gesteld. Tevens heeft het College daarbij zijn voornemen aangekondigd appellante te ontslaan.
1.2. Bij uitspraak van 15 april 2002, nr. 02/639, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 6 februari 2002 geschorst. Deze rechter heeft daarbij als zijn (voorlopig) oordeel gegeven dat evengenoemde bepaling niet de bevoegdheid bevat om een ambtenaar op non-actief te stellen.
1.3. Het College heeft hierin bij besluit van 2 september 2002 aanleiding gezien om het besluit van 6 februari 2002 met terugwerkende kracht in te trekken.
1.4. Bij brief van 13 september 2002 heeft appellante het College verzocht haar de tengevolge van het onrechtmatige besluit van 6 februari 2002 geleden schade te vergoeden. Als schadeposten heeft zij in dit verband genoemd de kosten van rechtsbijstand, reis- en verblijfkosten, kosten van door de psycholoog drs. H opgestelde rapporten alsmede immateriële schade.
1.5. Bij besluit van 26 februari 2003 heeft het College appellante € 644,- toegekend als vergoeding voor de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten van rechtsbijstand en € 6,20 toegekend als vergoeding voor de met het oog op de bijwoning van de hoorzitting in die procedure gemaakte reiskosten. Voor het overige heeft het College het verzoek van appellante van 13 september 2002 afgewezen.
Bij het bestreden besluit van 26 januari 2004 heeft het College dit besluit, na door appellante gemaakt bezwaar, gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het College had moeten overgaan tot (volledige) vergoeding van de door appellante in de bezwaarprocedure ter zake van het besluit van 6 februari 2002 gemaakte kosten alsmede op de vraag of het College appellante een vergoeding had dienen toe te kennen voor door haar, naar zij stelt, door dit besluit geleden immateriële schade.
Naar aanleiding van hetgeen partijen hieromtrent hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Met betrekking tot de eerste onder 3. vermelde vraag heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat, gelet op de datum van het gestelde schadeveroorzakende besluit van 6 februari 2002, het recht van toepassing is zoals dat gold tot 12 maart 2002. Dit is tussen partijen ook niet meer in geschil en evenmin dat daarom beoordeeld moet worden of in dit geval aan het zogeheten “tegen beter weten in”- criterium volgens de onder dit (oude) recht gevestigde jurisprudentie, is voldaan. Dit criterium leidt ertoe dat de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen.
Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten voor de zienswijze dat het College het onrechtmatige besluit van 6 februari 2002 heeft genomen terwijl het zich er van bewust was dat voor dit besluit geen deugdelijke wettelijke grondslag bestond. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat geen grond bestaat voor de veronderstelling dat het College tegen beter weten in tot het nemen van dit besluit is gekomen. De eerste vraag dient dus ontkennend te worden beantwoord.
3.2. Waar het gaat om de gestelde immateriële schade in verband met de psychische problematiek van appellante overweegt de Raad dat, wat daarvan op zichzelf ook zij, niet aannemelijk is gemaakt dat deze problematiek een direct gevolg is van het besluit van 6 februari 2002. In het bijzonder valt uit de verslagen van de psycholoog drs. H van 4 april 2002 en 2 december 2002 niet op te maken dat sprake is van een dergelijk gevolg. Ook de door appellante in hoger beroep overgelegde brieven van haar huisarts van 20 maart 2002 en de psycholoog drs. O van 23 augustus 2004 bieden onvoldoende grond voor haar standpunt.
De Raad merkt hierbij nog op dat het op non-actief stellen van appellante plaats vond in een periode waarin zij wegens ziekte haar arbeid niet verrichtte, zodat dit geen verandering in de toen bestaande feitelijke situatie aanbracht. Voor vergoeding van immateriële schade was in dit geval reeds hierom geen plaats.
3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) O.C. Boute.
HD
29.04

