
Jurisprudentie
AX6724
Datum uitspraak2006-05-08
Datum gepubliceerd2006-06-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/252
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/252
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het hof is van oordeel dat, anders dan [appellanten] in hun beroepschrift hebben gesteld, de betalingen op de fraudeschuld aan de gemeente [...], krachtens de wet niet in mindering kunnen hebben gestrekt op de meest recente fraudeschulden, maar op de oudste fraudeschulden. Het moet er daarom voor worden gehouden dat thans nog sprake is van fraudeschulden die in de jaren 2003 en 2004 zijn ontstaan, derhalve korter dan vijf jaar geleden. Het hof is van oordeel dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan van deze schulden in elk geval niet te goeder trouw zijn geweest. Het hof is tevens van oordeel dat [appellanten] ook ten aanzien van het onbetaald laten van hun fraudeschulden niet te goeder trouw zijn geweest. [appellanten] hebben ter zitting namelijk zelf verklaard, dat zij in de periode dat [appellant sub 1] zowel inkomen uit arbeid als een volledige WAO-uitkering ontving, ongeveer ƒ 3.600,- netto per maand ontvingen, en toch niets extra hebben afgelost op de fraudeschulden.
Dat [appellanten] al gedurende twee jaar op hun schulden afbetalen en zich uit eigen beweging hebben aangemeld voor budgetbeheer, dat begin april 2006 is ingegaan, acht het hof weliswaar een wending ten goede, maar deze omstandigheid weegt niet op tegen de aard, omvang en verwijtbaarheid van de schuldenlast. Bovendien is het hof van oordeel dat het budgetbeheer van te korte duur is om vast te kunnen stellen dat [appellanten] hun financiën al op orde hebben en om aanleiding te kunnen zijn hen reeds nu op grond van hun persoonlijke omstandigheden tot de schuldsaneringsregeling toe te laten.
Uitspraak
8 mei 2006
eerste civiele kamer
rekestnummer 2006/252
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellant sub 1]
en
[appellante sub 2],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
procureur: mr. K.J. Verrips.
1 Het geding in eerste aanleg
1.1 Bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 13 maart 2006 is het verzoek van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.
1.2 Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 21 maart 2006 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dit vonnis te vernietigen en te bepalen dat zij alsnog tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 mei 2006, waarbij [appellanten] zijn verschenen in persoon, bijgestaan mr. R.C. Vermeer, advocaat te Rhenen.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
3.2 Uit de stukken en het verhoor ter zitting is gebleken dat [appellanten] ongehuwd met elkaar samenwonen en samen met hun drie kinderen van respectievelijk 10, 15 en 19 jaar oud, een gezin vormen. Hun gezamenlijke schuldenlast bedraagt volgens het zich bij de schuldsaneringsverklaring bevindende schuldenoverzicht ruim € 25.000,-, bestaande uit een huurschuld aan SCW-[...] van € 2.889,15, een schuld aan de gemeente [...] van € 7.858,29 wegens bijstandsfraude, een belastingschuld van € 11.343,-, een schuld aan Vodafoon van € 1.254,21 en nog enkele kleinere min of meer huishoudelijke schulden. Voorts is gebleken dat [appellant sub 1] betaald werk verricht, waarmee hij gemiddeld circa € 1.250,- netto per maand verdient, welk loon wordt aangevuld met een gedeeltelijke WAO-uitkering, die in oktober 2005 € 307,77 netto per maand bedroeg.
3.3 De rechtbank heeft het verzoek van [appellanten] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat zij - kort samengevat - ten aanzien van het ontstaan van het meest recente deel van de fraudeschuld aan de gemeente [...] en de belastingschuld niet te goeder trouw zijn geweest. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het verstandig is dat [appellanten] thans inkomensbeheer hebben aangevraagd, maar dat het verzoek nu wordt afgewezen gelet op de recente ontstaansdatum van de verschillende vorderingen en gezien het feit dat het beheer nog van de grond moet komen.
3.4 [appellanten] kunnen zich met dit vonnis niet verenigen en voeren in hoger beroep het volgende aan.
- De bijstandschuld aan de gemeente [...] bedraagt thans nog slechts ongeveer € 5.600,- omdat zij de afgelopen twee jaar daarop hebben afgelost, waarbij het gaat om de meest recente schulden en boetes. De oudere schulden dateren uit 1994, 1995, 1997 en 1998, zijn derhalve ouder dan vijf jaar en mogen niet meer aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg staan.
- De belastingschuld is ontstaan doordat [appellant sub 1] gedurende een bepaalde periode naast zijn inkomen uit arbeid tevens een volledige WAO-uitkering ontving. Het UWV heeft afgezien van het terugvorderen van de WAO omdat dit niet aan [appellant sub 1] was toe te rekenen maar hierdoor heeft [appellant sub 1] in die periode veel meer inkomen genoten en is niet genoeg inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ingehouden. Pas in 2005 ontvingen [appellanten] de aanslagen over 2003, 2004 en 2005. Daarvoor was hen niets bekend van een schuld aan de fiscus.
- De belastingschuld was voor [appellanten] niet voorzienbaar en het verwijt dat de rechtbank hen maakt dat zij hiervoor niet hebben gereserveerd, snijdt dan ook geen hout.
- [appellanten] stellen zich resumerend op het standpunt dat geen sprake is van het niet te goeder trouw zijn ten aanzien van het ontstaan van de schulden die bij de beoordeling van hun verzoek betrokken dienen te worden en dat zij daarom, mede omdat zij al gedurende twee jaar op hun schulden afbetalen en zich hebben aangemeld voor budgetbeheer dienen te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
3.5 Het hof is van oordeel dat, anders dan [appellanten] in hun beroepschrift hebben gesteld, de betalingen op de fraudeschuld aan de gemeente [...], krachtens de wet niet in mindering kunnen hebben gestrekt op de meest recente fraudeschulden, maar op de oudste fraudeschulden. Het moet er daarom voor worden gehouden dat thans nog sprake is van fraudeschulden die in de jaren 2003 en 2004 zijn ontstaan, derhalve korter dan vijf jaar geleden. Het hof is van oordeel dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan van deze schulden in elk geval niet te goeder trouw zijn geweest. Het hof is tevens van oordeel dat [appellanten] ook ten aanzien van het onbetaald laten van hun fraudeschulden niet te goeder trouw zijn geweest. [appellanten] hebben ter zitting namelijk zelf verklaard, dat zij in de periode dat [appellant sub 1] zowel inkomen uit arbeid als een volledige WAO-uitkering ontving, ongeveer ƒ 3.600,- netto per maand ontvingen, en toch niets extra hebben afgelost op de fraudeschulden.
Dat [appellanten] al gedurende twee jaar op hun schulden afbetalen en zich uit eigen beweging hebben aangemeld voor budgetbeheer, dat begin april 2006 is ingegaan, acht het hof weliswaar een wending ten goede, maar deze omstandigheid weegt niet op tegen de aard, omvang en verwijtbaarheid van de schuldenlast. Bovendien is het hof van oordeel dat het budgetbeheer van te korte duur is om vast te kunnen stellen dat [appellanten] hun financiën al op orde hebben en om aanleiding te kunnen zijn hen reeds nu op grond van hun persoonlijke omstandigheden tot de schuldsaneringsregeling toe te laten.
3.6 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 13 maart 2006.
Dit arrest is gewezen door mrs. Smeeïng-Van Hees, Van der Kwaak en Van den Brink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2006.

