Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX7011

Datum uitspraak2006-05-31
Datum gepubliceerd2006-06-07
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200602341/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn het bestemmingsplan "16e partiële herziening bestemmingsplan Malkenschoten" vastgesteld.


Uitspraak

200602341/2. Datum uitspraak: 31 mei 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekers], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn het bestemmingsplan "16e partiële herziening bestemmingsplan Malkenschoten" vastgesteld. Bij besluit van 7 februari 2006, nr. 2005-005114, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan. Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 27 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2006, beroep ingesteld. Bij brief van 27 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 mei 2006, waar verzoekers, in de personen van [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. V.C.E. Wattenberg, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Apeldoorn, vertegenwoordigd door N. Jansen en J. Vermeij, ambtenaren der gemeente. 2.    Overwegingen 2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2.    Het plan heeft betrekking op de percelen op de hoek Malkenschoten-Oude Apeldoornseweg en voorziet in 18 standplaatsen met bijbehorende voorzieningen voor kermisexploitanten. Op een deel van het terrein is tevens bedrijfsmatig gebruik ten behoeve van het kermisbedrijf toegestaan. 2.3.    Verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Daartoe voeren zij onder meer aan dat ten onrechte gelijktijdig twee procedures zijn gevoerd, de bestemmingsplanprocedure en de vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Verzoekers achten de bedrijfslocatie niet inpasbaar, omdat hier bedrijven uit milieucategorie 2 worden toegestaan. Voorts stellen zij dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de strijdigheid van het plan met het provinciale en gemeentelijke beleid. Bovendien is het verrichtte luchtkwaliteitsonderzoek niet deugdelijk, zodat verweerder goedkeuring had moeten onthouden. Nu de procedure inzake de vrijstelling en verleende bouwvergunning nog niet is afgerond en voor andere delen van het terrein nog geen vergunning is verleend, wensen verzoekers dat de goedkeuring van het plan wordt geschorst, zodat er geen ontwikkelingen mogelijk zijn zolang niet op hun beroep is beslist. 2.4.    Volgens de voorschriften van de partiële herziening is de voor kermisexploitantenterrein aangewezen grond onder meer bestemd voor opslag en reparatie ten behoeve van het kermisbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "kermisbedrijf toegestaan" en met inachtneming van de scheidingslijn met het overige gedeelte van de gronden met de bestemming "Kermisexploitantenterrein". Uit de toelichting bij de partiële herziening volgt dat het gemeentebestuur ervan uitgaat dat het bedrijfsmatige gebruik bestaat uit opslag van en kleine reparaties aan kermisattracties. Gezien de beperkte uitstraling kan het kermisbedrijf worden gelijkgesteld met een bedrijf in milieucategorie 1 uit de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten, aldus de toelichting. Voor deze categorie wordt een basisafstand van tien meter tot een milieugevoelige functie aanbevolen. Verweerder heeft hiermee ingestemd. 2.5.    De Voorzitter is er voorshands niet van overtuigd dat hiermee een juiste inschatting en waardering is gegeven van de feitelijke activiteiten van het kermisbedrijf. Daarbij neemt hij in aanmerking dat het gemeentebestuur ter zitting heeft verklaard dat een vergelijking is gemaakt met een verhuurbedrijf voor roerende goederen, welke volgens de genoemde brochure in beginsel moet worden aangemerkt als een bedrijf uit milieucategorie 2. Mede gelet op de verdere indeling van bedrijven in milieucategorieën in de brochure, is de Voorzitter er niet van overtuigd dat voldoende bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om het in geding zijnde kermisbedrijf tot de lichtste milieucategorie te rekenen. Daarbij neemt hij in aanmerking dat ter zitting is verklaard dat geen specifiek onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting van de activiteiten op de omliggende woningen, terwijl de dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van ongeveer 12 meter van de gronden met de aanduiding "kermisbedrijf toegestaan". Als gevolg hiervan is onduidelijk of ter plaatse van deze woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.    In verband hiermee ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek van verzoekers in zoverre toe te wijzen en de goedkeuring van de aanduiding "kermisbedrijf toegestaan" te schorsen. 2.6.    Met betrekking tot de bestemming "Kermisexploitantenterrein" ziet de Voorzitter echter geen aanleiding tot toewijzing van het verzoek om schorsing. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat er geen wettelijke bepaling is aan te wijzen die zich verzet tegen de samenloop van beide procedures. Voorts ziet de Voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd zou zijn met het provinciale of gemeentelijke beleid en hebben verzoekers evenmin aangetoond dat het luchtkwaliteitsonderzoek zodanige gebreken vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet heeft mogen baseren.    Het verzoek zal dan ook voor het overige worden afgewezen. 2.7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 7 februari 2006, nr. 2005-005114, voor zover het de aanduiding "kermisbedrijf toegestaan" betreft; II.    gelast dat de provincie Gelderland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. van den Berg, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren    w.g. Van den Berg Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006 350.