Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX7220

Datum uitspraak2006-05-19
Datum gepubliceerd2006-06-08
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1620 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schorsing WAO-uitkering. Inkomsten uit arbeid.


Uitspraak

04/1620 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2004, 03/1608 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 19 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 28 januari 2003 heeft het Uwv appellants WAO-uitkering geschorst met ingang van 1 februari 2003. Bij besluit van 7 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaren tegen het besluit van 28 januari 2003 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat bij het Uwv, gelet op de resultaten van het opsporingsonderzoek, het gegronde vermoeden kon bestaan dat appellant geen recht op uitkering meer had. Appellant betwist dat hij relevante inkomsten uit zijn besloten vennootschappen, respectievelijk zijn eenmanszaak heeft genoten. De Raad is van oordeel dat het opsporingsonderzoek genoegzame grond opleverde voor het vermoeden dat appellant aanmerkelijke inkomsten uit arbeid had genoten. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten tot schorsing van de uitkering. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J.W. Schuttel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006. (get.) J. Janssen. (get.) M.H.A. Uri.