
Jurisprudentie
AX7689
Datum uitspraak2006-05-31
Datum gepubliceerd2006-06-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2386 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2386 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WAO-uitkering. Geen sprake van overschrijding belastbaarheid.
Uitspraak
04/2386 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2004, 03/2203 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker bij Swartberg Levensmiddelen Fabrieken B.V. te Rotterdam. Hij is in oktober 2001 wegens hoofdpijnklachten arbeidsongeschikt geworden.
Bij besluit van 28 november 2002 is aan appellant meegedeeld dat aan hem met ingang van 13 oktober 2002 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) werd toegekend, omdat hij niet arbeidsongeschikt in de zin van deze wet werd geacht.
Bij besluit van 11 juni 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en heeft terzake het volgende overwogen.
Op 28 augustus 2002 is appellant gezien door een verzekeringsarts, die constateerde dat bij appellant sprake was van spierspanningshoofdpijn en dat er een indicatie bestond om rekening te houden met een beperking voor een continu zeer lawaaivolle omgeving. Blijkens het uitgebrachte rapport van 28 augustus 2002 waren af en toe een luid omgevingsgeluid en langdurige/continue matige omgevingsgeluiden geenszins gecontraïndiceerd. Een en ander is vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst.
Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens onderzoek gedaan naar het laatstelijk door appellant verrichte werk en daarbij na overleg met de werkgever vastgesteld, dat de machines waarmee appellant had gewerkt een geluidsbelasting van 83 tot 85 dB kenden. In overleg met de betrokken verzekeringsarts is vervolgens vastgesteld dat met gebruik van gehoorbeschermers, die in de fabriek aanwezig waren, de belastbaarheid van appellant in de functie op geen enkel punt werd overschreden.
De bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe heeft een rapport opgemaakt, waarin werd geconcludeerd dat er geen reden was om af te wijken van het primaire medische oordeel.
De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep, zonder nader medische onderbouwing is aangevoerd, geen reden om de conclusie van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad heeft de primaire verzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek ingesteld en is ook de maatgevende arbeid door de arbeidsdeskundige alleszins voldoende in beeld gebracht. De Raad ziet dan ook geen reden voor een nader (medisch) onderzoek.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
MH

