Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX7691

Datum uitspraak2006-05-30
Datum gepubliceerd2006-06-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers05/1048
Statusgepubliceerd


Indicatie

Rijschool. Vrijstelling bestemmingsplan. Herhaalde aanvraag.


Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN Sector Bestuursrecht Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht Reg.nr.: 05/1048 Inzake het geding tussen [A], gevestigd te [B], eiser, gemachtigde: mr. E. Wiarda, werkzaam bij Langhout & Wiarda, juristen, rentemeesters, en makelaars, en het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen, verweerder. gemachtigde: mr. G. van der Veer, werkzaam bij de gemeente Heerenveen. Procesverloop Bij brief van 10 mei 2005 heeft verweerder gemachtigde van eiser mededeling gemaakt van zijn besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 14 maart 2006. Eiser is niet verschenen. Namens verweerder is gemachtigde, voornoemd, verschenen. Motivering De rechtbank baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden. Bij brief van 13 augustus 2002 heeft eiser verweerder verzocht het bestemmingsplan in die zin te wijzigen dat het hem wordt toegestaan op het perceel [adres] te [B] motorkleding te verkopen. Verweerder heeft het verzoek opgevat als zijnde een verzoek om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan ten behoeve van de verkoop van motorkleding op het perceel [adres] en dit verzoek bij besluit van 9 december 2002 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend. Bij brief van 31 maart 2004 heeft eiser verweerder verzocht zijn verzoek van 13 augustus 2002 opnieuw te beoordelen, omdat het verkopen van motorkleding thans als een wezenlijk onderdeel van zijn motorrijschool beschouwd dient te worden, nu vanaf 30 september 2003 een motorkandidaat verplicht is om op het examen beschermende kleding te dragen. Bij besluit van 22 november 2004 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Het tegen dit besluit door eiser ingediende bezwaarschrift heeft verweerder onder overneming van het advies van de commissie bezwaarschriften van 19 april 2005 op inhoudelijke gronden ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in art. 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet degene die een herhaalde aanvraag indient nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. Hiermee wordt invulling gegeven aan het algemene rechtsbeginsel, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). Dit beginsel geldt ook de rechtspraak: buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, kan eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. De in de wet gegeven bepalingen voor het instellen van beroep verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Dit geldt ook, indien het bestuursorgaan art. 4:6 lid 2 van de Awb niet heeft toegepast, aangezien de regels inzake de toegang tot de rechter van openbare orde zijn. Gelet hierop staat in deze procedure uitsluitend ter beoordeling of eiser een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Het door eiser bij zijn verzoek van 31 maart 2004 gestelde feit dat vanaf 30 september 2003 een motorkandidaat verplicht is om op het examen beschermende kleding te dragen is, anders dan eiser betoogt, niet aan te merken als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in art. 4:6 lid 1 van de Awb. Die verplichting leidt er immers niet toe dat de rijschool per 30 september 2003 wettelijk verplicht is aan haar cursisten passende kleding beschikbaar te stellen, zodat het door eiser gestelde feit geen betekenis heeft voor de beoordeling van de aanvraag. Het beroep is mitsdien ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep van eiser ongegrond. Aldus gegeven door mr. E.C.R. Schut, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2006, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier. w.g. B.M. van der Doef w.g. E.C.R. Schut Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden het rechtsmiddel hoger beroep. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Postbus 20019 2500 EA Den Haag In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt