Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX7757

Datum uitspraak2006-05-19
Datum gepubliceerd2006-06-09
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAwb 05 / 1137
Statusgepubliceerd


Indicatie

Na vaststelling subsidiabele restauratiekosten, op basis van een ingediende begroting, wordt na de gereedmelding van de werkzaamheden subsidie op grond van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 aangevraagd. De subsidievaststelling en -uitkering nadien geschiedt aan de hand van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Als alle kosten volledig zijn gedekt, daarbij kostenbesparingen zijn gerealiseerd en de gedane uitgaven lager uitvallen dan begroot, wordt aan de post "onvoorzien" niet meer toegekomen. Indien geen sprake is van meerwerk is de vraag of de kosten daarvan subsidiabel zijn niet meer relevant.


Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 05/1137 Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei[gemeente][gemeente]] eiser, [gemachtigden] tegen de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder, [gemachtigden] Procesverloop Bij besluit van 2 november 2000 heeft verweerder de subsidiabele restauratiekosten ten behoeve van het interieur van de [kerk] te '[gemeente] vastgesteld op f 863.604,00 (?391.886,40) en de subsidie op grond van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (Brrm 1997) vastgesteld op f 604.523,00 (? 274.320,57). Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 9 maart 2005 deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld op 15 april 2005. Dit beroep is behandeld ter zitting van 13 januari 2006, waar eiser en verweerder zijn verschenen bij hun gemachtigden. Overwegingen 1. Aan de orde is of verweerder terecht de bij de aanbesteding begrote extra kosten ad f 25.761,00 (? 11.689,83) exclusief BTW terzake van de bouwkundige hoofdopdracht als niet-subsidiabel heeft aangemerkt en of de hoogte van de subsidiabele restauratiekosten na de door verweerder aangebrachte correcties juist zijn berekend. 2. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de navolgende feiten en omstandigheden. 3. Bij besluit van 21 oktober 1998 heeft verweerder eiser op diens aanvraag van 15 september 1998 voor restauratie van het interieur van de [kerk] een subsidie op grond van het Brrm 1997 verleend van f 613.656,00 (? 278.464,95) op basis van een begroting van de totale kosten van f 909.872,00 (? 412.881,91). Bij besluit van 4 februari 1999 heeft verweerder het bedrag van de verleende subsidie herzien en gewijzigd in f 636.910,00 (? 289.017,16) op basis van een op 3 november 1998 ontvangen gecorrigeerde begroting. Daarbij zijn de subsidiabele restauratiekosten op grond van het Brrm 1997 en het Besluit beleidsregels onderhoud en restauratie monumenten overeenkomstig het totaal van de begroting nader vastgesteld op f 918.259,00 (? 416.687,76), waarvan voor de bouwkundige hoofdopdracht f 596.138,40 (? 270.515,81) exclusief BTW. In de subsidiabele restauratiekosten is voorts een post "onvoorzien" opgenomen ter grootte van 5% van de kosten van de bouwkundige hoofdopdracht, ofwel ? 29.806,92 exclusief BTW. Op 9 november 1998 is de restauratie in uitvoering genomen en op 17 mei 1999 beëindigd. Op 14 juli 1999 heeft eiser de financiële verantwoording overgelegd, van een totaalbedrag aan werkelijk gemaakte restauratiekosten van f 932.900,00 (? 423.331,56). Bij besluit van 2 november 2000 heeft verweerder de subsidiabele restauratiekosten vastgesteld op f 863.604,00 (? 391.886,41), waarvan voor de bouwkundige hoofdopdracht f 596.138,40 (? 270.515,81) exclusief BTW. De subsidie is daarbij vastgesteld op f 604.523,00 (?274.320,58). Bij besluit op bezwaar van 9 maart 2005 heeft verweerder een kostenpost van f 11.258,00 (? 5.108,66) exclusief BTW alsnog tot de subsidiabele restauratiekosten gerekend. In verband hiermee zijn deze herzien en vastgesteld op ? 398.490,05. (f 878.156,51). De subsidie is in verband hiermee eveneens herzien en vastgesteld op ? 278.942,00 (f 614.707,27). 4. Verweerder gaat uit van de bij de subsidieverlening (op basis van begroting) vastgestelde subsidiabele restauratiekosten, vergelijkt deze met de daarvoor werkelijk gemaakte restauratiekosten en verrekent ten behoeve van de vaststelling van de subsidie het verrichte subsidiabele meer- en minderwerk. Aldus is hij met betrekking tot de kosten voor de bouwkundige hoofdopdracht uitgegaan van de bij de verlening daarvoor vastgestelde subsidiabele restauratiekosten (exclusief BTW) van f 596.138,40 (? 270.515,81) en heeft deze vermeerderd met subsidiabel meerwerk van f 21.275,88 (? 9.654,57) en verminderd met subsidiabel minderwerk van f 62.395,57 (? 28.313,88). Verweerder wijst er op dat de aannemer terzake van de bouwkundige hoofdopdracht in totaal f 589.902,00 (? 267.685,85) exclusief. BTW heeft gefactureerd, inclusief meer- en minderwerk. Nu dit minder is dan het daarvoor ten behoeve van de subsidieverlening vastgestelde subsidiabele kostenbedrag van f 596.138,40 (? 270.515,81) exclusief BTW is er volgens verweerder geen aanleiding ter vaststelling van de subsidie in de subsidiegrondslag voor de bouwkundige hoofdopdracht nog rekening te houden met een post onvoorziene kosten. 5. Eiser stelt dat moet worden uitgegaan van de begrote kosten, vermeerderd met een bij de aanbesteding daarna gebleken kostenoverschrijding van de bouwkundige hoofdopdracht van f 25.761,60 (? 11.690,10) exclusief BTW. Met betrekking tot de kosten voor de bouwkundige hoofdopdracht dient derhalve volgens eiser te worden uitgegaan van f 621.900,00 (? 282.205,91) exclusief BTW. Eiser wijst erop dat aan een tevoren opgestelde begroting inherent is dat daarop vervolgens afwijkingen kunnen voorkomen en dat daarom daarvoor een post onvoorzien van f 29.806,92 (? 13.525,79) exclusief BTW is opgenomen die door verweerder bij de verlening als subsidiabel is aanvaard. De aldus berekende f 621.900,00 (? 282.205,91) heeft eiser vervolgens vermeerderd met het verrichte meerwerk ad f 30.397,57 (? 13.793,82) en verminderd met het minderwerk ad f 62.395,57 (? 28.313,88). Eiser heeft zich in beroep alsnog kunnen verenigen met het standpunt dat de meerkosten van het aanpassen van de Gedenksteen ad f 621,69 (? 282,11) en de kosten van de Credens ad f 8.500,00 (? 3.857,13) niet tot de subsidiabele restauratiekosten behoren. Verweerder heeft evenwel volgens eiser het als niet subsidiabel aanmerken van die meerkosten op onjuiste wijze in de berekening van de hoogte van de restauratiekosten verwerkt. Volgens eiser dient bij het niet-subsidiabel stellen van meerkosten tevens een correctie plaats te vinden op het minderwerk. 6. Het wettelijk kader is als volgt. Op grond van artikel 14, eerste lid, van het Brrm 1997 dient de eigenaar de aanvraag om subsidie vergezeld van een restauratieplan en een begroting van de restauratiekosten in. Op grond van artikel 19, eerste lid, onder a, van het Brrm 1997 vermeldt Onze minister in de beschikking tot subsidieverlening de door hem vastgestelde subsidiabele restauratiekosten. In artikel 31, eerste lid, van het Brrm 1997 is bepaald dat de eigenaar na afloop van de restauratie een aanvraag tot vaststelling van de subsidie moet indienen. Ingevolge het vierde lid kan de aanvraag tot subsidievaststelling geen kosten bevatten die niet reeds bij de subsidieverlening als subsidiabele restauratiekosten zijn vastgesteld. Ingevolge artikel 32, eerste lid, onder a, van het Brrm 1997 zenden burgemeester en wethouders de aanvraag tot subsidievaststelling, vergezeld van een door hen opgestelde berekening van de werkelijk gemaakte subsidiabele restauratiekosten door aan Onze minister. 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij de vaststelling van de subsidie terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser in aanmerking genomen begrote meerkosten van f 25.761,60 (? 11.690,10) exclusief BTW niet tot de subsidiabele restauratiekosten behoren. Blijkens artikel 32, eerste lid, onder a, van het Brrm 1997 dient bij de vaststelling van de subsidie te worden uitgegaan van de werkelijk gemaakte subsidiabele restauratiekosten terwijl deze aanvraag op grond van het vierde lid van artikel 31 van het Brrm 1997 geen kosten kan bevatten die niet reeds bij de subsidieverlening als subsidiabele restauratiekosten zijn vastgesteld. Vast staat dat aan eiser met betrekking tot de bouwkundige hoofdopdracht voor de subsidiabel gestelde restauratiewerkzaamheden in totaal f 589.902,00 (? 267.685,85) exclusief BTW in rekening is gebracht, inclusief meer- en minderwerk.. Nu bij de subsidieverlening rekening is gehouden met een bedrag daarvoor van f 596.138,40 (? 270.515,81) exclusief BTW heeft verweerder reeds om die reden geen aanleiding hoeven te zien bij de vaststelling van de subsidie rekening te houden met een hoger subsidiabel bedrag dan vastgesteld bij de verlening ervan. Dat in de begroting voor de bouwkundige hoofdopdracht een post voor onvoorziene kosten is opgenomen van f 29.806,92 (? 13.525,79) exclusief BTW die bij de subsidieverlening subsidiabel is gesteld, kan hieraan niet afdoen. De uitvoering van de terzake verrichte werkzaamheden hebben per saldo immers geen extra kosten tot gevolg gehad. 8. Eiser kan evenmin worden gevolgd in zijn redenering dat indien verweerder een aantal elementen van het werk niet als subsidiabele kosten in aanmerking neemt, hij eenzelfde correctie moet toepassen op het gerealiseerde minderwerk. Deze zou namelijk tot gevolg hebben dat aldus, door binnen het subsidiebudget te blijven, met betrekking tot het verrichte - eerder niet als subsidiabel aangemerkte - meerwerk alsnog subsidie wordt vastgesteld, hetgeen in strijd is met het vierde lid van artikel 31 van het Brrm 1997. 9. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard. 10. De rechtbank ziet geen aanleiding te komen tot een proceskostenveroordeling. 11. Beslist wordt als volgt. Beslissing De rechtbank, verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr. L.C. Michon als voorzitter en mrs. A.A.H. Schifferstein en M.T. van Vliet als leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F.P. Smeets als griffier op 19 mei 2006. Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Afschriften verzonden: 1 AWB 05/1137 4 uitspraak