
Jurisprudentie
AX8280
Datum uitspraak2006-02-10
Datum gepubliceerd2006-06-16
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/4976 LB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-16
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/4976 LB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Anoniementarief is terecht toegepast. Boete is terecht opgelegd
Uitspraak
RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 05/4976 LB
Uitspraakdatum: 10 februari 2006
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst [te P], kantoor [plaatsnaam], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 15 juli 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen naar een bedrag van € 2.025, alsmede tegen de daarbij opgelegde boete.
Zitting:
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2006.
Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [persoon A] en [persoon B].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Eiser exploiteert een Internationaal Duwvaartbedrijf in de vorm van een eenmanszaak.
2.2. Op 1 september 2004 heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van verweerder van 11 november 2004. Een kopie van dit rapport behoort tot de gedingstukken.
2.3. Uit het boekenonderzoek is onder meer naar voren gekomen dat eiser betalingen heeft gedaan aan [werknemer], die niet zijn opgenomen in de loonadministratie terwijl de arbeidsverhouding tussen [werknemer] en de inhoudsplichtige (oftewel eiser) volgens genoemd rapport als dienstbetrekking is aan te merken. Blijkens het rapport is van [werknemer] de identiteit niet bekend gemaakt door middel van een geldig identiteitsbewijs of een kopie daarvan.
2.4. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek is aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 11.022 aan enkelvoudige belasting. Bij die aanslag is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van vijfentwintig percent ofwel € 2.756. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder een aantal correcties teruggenomen. De naheffingsaanslag is verminderd naar een bedrag van € 2.025 aan enkelvoudige belasting, waarvan een bedrag van
€ 1.297 betrekking heeft op het aan [werknemer] betaalde loon. Bij die aanslag is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van vijfentwintig percent ofwel € 506. Verweerder heeft de belastingschuld betreffende [werknemer] berekend met toepassing van het zogenoemde anoniementarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964.
2.5. In geschil is of verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag terecht het anoniementarief heeft toegepast op het loon van [werknemer]. Tevens is in geschil of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
2.6. Eiser heeft zakelijk weergegeven aangevoerd dat hij in 1999 aan [werknemer] zijn identiteitsbewijs heeft gevraagd, maar dat niet van hem heeft ontvangen, dat hij geen enkele reden had om te twijfelen aan de identiteit van [werknemer], dat [werknemer] in persoon bekend was omdat hij evenals eiser woonde in [woonplaats], dat [werknemer] een loonbelasting-verklaring heeft ingevuld en ondertekend en een melding Bedrijfsvereniging heeft ondertekend en dat [werknemer] een kopie van zijn identiteitsbewijs heeft verstrekt aan het Uitvoeringsorgaan Sociale Verzekeringswetten. Daarmee is de identiteit van [werknemer] onomstotelijk komen vast te staan. Eiser stelt dat hij alles wat in zijn vermogen lag heeft gedaan om een identiteitsbewijs van [werknemer] in zijn bezit te krijgen.
2.7. Op basis van een in 1999 opgemaakte loonstaat heeft eiser een bedrag aan loonbelasting berekend van € 121.
Hij verzoekt om de naheffingsaanslag te verminderen met € 1.176 (€ 1.297 minus € 121) en om de boete te vernietigen.
2.8. Ingevolge artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet is de inhoudingsplichtige gehouden de identiteit van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (hierna: WID), alsmede de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen. Ingevolge artikel 66, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001
(voor 1999 en 2000 artikel 23a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990) stelt de inhoudingsplichtige zodra de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt diens identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de WID en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie. Het anoniementarief van artikel 26b van de Wet is onder meer van toepassing ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet en zijn identiteit niet is vastgesteld en opgenomen overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, lid 1, onderdeel f, van de Wet.
2.9. Zoals vermeld onder 2.6 heeft eiser verklaard dat hij geen identiteitsbewijs van [werknemer] heeft ontvangen. Naar volgt uit het onder 2.8 overwogene laat dit feit geen andere conclusie toe dan dat verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag terecht het anoniementarief heeft toegepast op het loon van [werknemer].
2.10. Over de vraag of de boete terecht is opgelegd overweegt de rechtbank het volgende. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van grove schuld, waarbij een boete van vijfentwintig percent in het kader van norminscherping passend en geboden is. De boete is dus terecht opgelegd.
2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 10 februari 2006 door mr. T. van Rij in tegenwoordigheid van F.J. Crabbendam, griffier. De beslissing is dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

