
Jurisprudentie
AX8884
Datum uitspraak2005-12-19
Datum gepubliceerd2006-06-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersK 338
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersK 338
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beslissing 4e kamer op vordering PG HR tot verlenging schorsing raadsheer hof i.v.m. verdenking misdrijf. De sluiting van het tegen betrokkene t.z.v. een misdrijf ingestelde GVO is op 14-10-05 betekend. De HR is van oordeel dat uit de kennisgeving van verdere vervolging volgt dat er een ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag o.g.v. art. 46m.a Wrra zouden kunnen leiden. De HR zal daarom de schorsing verlengen voor de maximaal door de wet toegelaten termijn van 3 maanden.
Conclusie anoniem
K 338
Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer,
Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
Op 28 september 2005 heeft de Hoge Raad ingevolge art. 46f lid 2 aanhef en sub a in verband met art. 46 g lid 1 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) de verlenging van de schorsing als rechterlijk ambtenaar voor de wettelijke termijn van drie maanden uitgesproken van
[betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats], wonende aan [a-straat 1] te [woonplaats].
De schorsing is verlengd omdat de gronden waarop de schorsing van de betrokkene was uitgesproken, genoemd in het arrest van 7 juli 2005, onverminderd aanwezig waren. Blijkens dat arrest vormen de grondslag voor de schorsing de omstandigheden dat tegen de betrokkene een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld en dat de aard en ernst van de feiten waarvan hij wordt verdacht, meebrengen dat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek niet zijn functie van raadsheer kan uitoefenen.
Ik stel vast dat voornoemde omstandigheden in zoverre veranderd zijn dat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten en dat op 1 december 2005 een kennisgeving van verdere vervolging is betekend aan de betrokkene. De verdere vervolging heeft betrekking op de volgende strafbare feiten: 1. poging tot zware mishandeling, subsidiair mishandeling 2. poging tot doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling, meer subsidiair mishandeling. Ik verwijs naar de brief met bijlagen van de Hoofdofficier van Justitie, mr. A.B. Vast, van 13 december 2005, welke ik bij deze vordering overleg. Van overige nieuwe feiten en omstandigheden ten aanzien van de schorsing is mij niet gebleken.
De omstandigheid dat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, neemt niet weg dat de grond voor schorsing als bedoeld in art. 46f lid 2 aanhef en sub a Wrra nog altijd bestaat nu de Officier van Justitie ervan kennis heeft gegeven dat de vervolging zal worden voortgezet en er nog geen rechterlijke uitspraak op de voortgezette vervolging is.
In een telefonisch gesprek op 9 december 2005 met de raadsman van de betrokkene, mr. J.P. Plasman, heeft de raadsman mij meegedeeld dat de betrokkene geen gebruik wil maken van de gelegenheid door de Procureur-Generaal op de vordering tot verdere verlenging van de schorsing te worden gehoord en dat hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad. Een gehoor als bedoeld in art. 46o lid 3 Wrra heeft derhalve niet plaatsgevonden.
Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad de op 7 juli 2005 uitgesproken schorsing van [betrokkene] op de voet van art. 46f lid 2 aanhef en sub a in verband met art. 46 g lid 1 Wrra verder zal verlengen voor een periode van drie maanden.
's-Gravenhage, 14 december 2005
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Uitspraak
19 december 2005
Vierde Kamer
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een vordering als bedoeld in art. 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 14 december 2005, tot verlenging van de schorsing als rechterlijk ambtenaar van:
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboortedatum], wonende te [woonplaats].
1. De vordering van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal heeft schriftelijk gevorderd dat de op 7 juli 2005 door de Hoge Raad uitgesproken en op 28 september 2005 met drie maanden verlengde schorsing van de betrokkene als rechterlijk ambtenaar wederom zal worden verlengd voor een periode van drie maanden. Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal een brief met bijlagen van 13 december 2005 van mr. A.B. Vast, Hoofdofficier van Justitie bij het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad, overgelegd. De Hoofdofficier van Justitie verwijst in zijn brief naar een viertal nieuwe getuigenverhoren.
Voorts deelt hij mee dat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten en dat een kennisgeving van verdere vervolging is uitgegaan. De als bijlage bij de brief gevoegde kennisgeving van verdere vervolging, gedateerd 23 november 2005, houdt in dat de Officier van Justitie de betrokkene verder zal vervolgen ter zake dat:
"1.
hij in of omstreeks de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen (in de woonkamer van de woning aan [a-straat 1]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of op de grond heeft gegooid en/of aan de haren heeft getrokken;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 21 tot 23 oktober 2004 (na afloop van het etentje) in de gemeente Groningen (in de woonkamer van de woning aan [a-straat 1]) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of op de grond heeft gegooid en/of aan de haren heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
2.
hij in of omstreeks de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen (in de slaapkamer en/of de badkamer van de woning aan [a-straat 1]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet [slachtoffer] met kracht bij de keel heeft vastgepakt en/of de keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden en/of meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen (in de slaapkamer en/of de badkamer van de woning aan [a-straat 1]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer] (met kracht) bij de keel heeft vastgepakt en/of de keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden en/of meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of in de nek/hals gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 21 tot 23 oktober 2004 in de gemeente Groningen (in de slaapkamer en/of de badkamer van de woning aan [a-straat 1]) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) bij de keel heeft vastgepakt en/of de keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden en/of meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/op het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of in de nek/hals heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden."
2. De Raadkamer
Op 19 december 2005 is door de Hoge Raad in raadkamer een onderzoek ingesteld. De raadsman van de betrokkene mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, heeft aan de Procureur-Generaal laten weten dat de betrokkene zich wenst te refereren aan het oordeel van de Hoge Raad en dat noch hij noch de betrokkene in raadkamer zal verschijnen.
3. Beoordeling
De betrokkene is raadsheer in het Gerechtshof te Leeuwarden en derhalve rechterlijk ambtenaar als bedoeld in art. 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra). Tegen de betrokkene is een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf ingesteld.
De sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek is op 14 oktober 2005 betekend, waarna op 23 november 2005 een kennisgeving van verdere vervolging is betekend. De Hoge Raad is van oordeel dat uit de kennisgeving van verdere vervolging, als hiervoor onder 1 genoemd, volgt dat er een ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag op grond van artikel 46m, aanhef en onder a, Wrra zouden kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom de schorsing verlengen voor de maximaal door de Wet toegelaten termijn van drie maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verlengt de schorsing van [betrokkene], raadsheer in het Gerechtshof te Leeuwarden, als rechterlijk ambtenaar voor de termijn van drie maanden.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M Davids als voorzitter, de vice-president A.G. Pos, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2005.

