Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX9018

Datum uitspraak2006-06-13
Datum gepubliceerd2006-06-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200602885/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 8 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haelen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een industrieel gebouw op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].


Uitspraak

200602885/2. Datum uitspraak: 13 juni 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoekers], wonend te [woonplaats], verzoekers, tegen de uitspraak in zaak no. 06/533 EN 06/535 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 31 maart 2006 in het geding tussen: verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van Haelen. 1.    Procesverloop Bij besluit van 8 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haelen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een industrieel gebouw op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 20 februari 2006 heeft het college het daartegen door verzoekers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 maart 2006, verzonden op 3 april 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd, bepaald dat het college opnieuw beslist op het bezwaar van verzoekers met inachtneming van deze uitspraak en de bouwvergunning van 8 april 2005 geschorst totdat het college opnieuw heeft beslist op het bezwaar van verzoeker. Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 16 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 10 april 2006 heeft het college het tegen de bouwvergunning van 8 april 2005 door verzoekers gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij afzonderlijke brieven van 16 april 2006 hebben verzoekers tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroepschrift en het verzoek om voorlopige voorziening na een behandeling ter zitting bij brief van 10 mei 2006, bij de Afdeling ingekomen op 2 juni 2006, ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juni 2006, waar het college, vertegenwoordigd door drs. P.C.W. van Doorn, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Verzoekers zijn niet ter zitting verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door P.F. Bruggen en [gemachtigde], bijgestaan door mr. W.C.M. Coenen, advocaat te Maastricht. 2.    Overwegingen 2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2.    Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Omleiding Maascentrale" omdat de maximum goothoogte van 8 meter met 20 centimeter wordt overschreden. Het college heeft voor deze overschrijding met toepassing van artikel 16, vijfde lid, en artikel 17, vijfde lid, van de planvoorschriften vrijstelling verleend. 2.3.    Verzoekers betogen in beroep dat de omstandigheid dat de beplating aan de zijgevels doorloopt tot een hoogte van 9,20 meter niet in de belangenafweging van de bij de beslissing op bezwaar van 10 april 2006 gehandhaafde vrijstelling is betrokken. 2.4.    In aanmerking genomen dat een gevelbeplating van 9,20 meter ingevolge de bouwvoorschriften zonder meer mogelijk is, valt niet in te zien waarom deze hoogte bij de belangenafweging over de vrijstelling voor het optrekken van de daarachter gelegen goothoogte tot 8,20 meter van doorslaggevende betekenis zou zijn. 2.5.    Gezien het vorenstaande bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het beroep zal leiden tot vernietiging van de beslissing op bezwaar van 10 april 2006, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet mochten worden verleend. Gelet hierop en op de bij de bouwvergunning betrokken belangen, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat. w.g. Boermans    w.g. Slump Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006 429.